|
|
|
Op welke overeenkomsten is de huurwet van toepassing? |
1. Op de
huurovereenkomsten betreffende de woning bestemd tot
hoofdverblijfplaats van de huurder. |
De huurwet is van toepassing op de huurovereenkomsten betreffende
de woning die de huurder tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt met
toestemming van de verhuurder.
Deze twee voorwaarden moeten dus vervuld worden om onder het
toepassingsgebied van de wet te vallen.
a. Eerste voorwaarde.
Het verhuurde goed of een gedeelte ervan moet een woning zijn die
bestemd is tot hoofdverblijfplaats van de huurder.
Deze voorwaarde wordt vervuld wanneer de huurder effectief en
voornamelijk in de gehuurde woning woont.
Het gaat dus om een feitelijke toestand, los van het naleven van
administratieve formaliteiten, welke zij ook moge wezen.
Aldus is het niet nodig dat de huurder woonachtig is op het adres van
het verhuurde onroerend goed, noch dat hij op dit adres ingeschreven
is in het bevolkings- of vreemdelingenregister opdat men het als een
hoofdverblijfplaats beschouwt.
Zo volstaat het ook niet dat de huurder woonachtig is op het adres
van het onroerend goed of dat hij op dit adres ingeschreven is in het
bevolkings- of vreemdelingenregister, opdat men er ipso facto zou
kunnen uit besluiten dat hij dit onroerend goed tot zijn
hoofdverblijfplaats bestemt.
Maar dat zijn wel te verstaan belangrijke elementen die kunnen
toelaten vast te stellen dat het gehuurd onroerend goed wel bestemd
is tot hoofdverblijfplaats van de huurder.
Andere elementen zoals brieven, getuigenissen, facturen, ... kunnen
tevens ingeroepen worden.
b. Tweede voorwaarde
De toestemming van de verhuurder om het verhuurde onroerend goed
als hoofdverblijfplaats te laten dienen voor de huurder.
Hoe de toestemming van de verhuurder bewijzen ?
1. Indien de huurder onmiddellijk na de inwerkingtreding van de
huurovereenkomst zijn hoofdverblijfplaats vestigt in het verhuurde
onroerend goed, is het niet noodzakelijk te bewijzen dat de
verhuurder zijn formele toestemming gegeven heeft; deze toestemming
kan stilzwijgend of uitdrukkelijk zijn:
ofwel bepaalt de huurovereenkomst dat het goed bestemd is tot
hoofdverblijfplaats van de huurder: er is uitdrukkelijke
toestemming;
ofwel is er een mondelinge overeenkomst of een geschreven
overeenkomst die niets bepaalt: het volstaat dan te bewijzen dat de
verhuurder wist dat de huurder van plan was het goed in deze
hoedanigheid te betrekken en dat de verhuurder er zich niet tegen
verzet heeft (stilzwijgende toestemming).
De verhuurder kan zich vanaf het sluiten van de overeenkomst
verzetten tegen de bestemming van het gehuurde goed tot de
hoofdverblijfplaats van de huurder.
In dat geval zal het moeilijk, zelfs onmogelijk zijn voor de huurder
te bewijzen dat de verhuurder zijn toestemming had gegeven.
Opgelet, indien het om een geschreven huurovereenkomst gaat, volstaat
het voor de verhuurder niet, om aan de toepasbaarheid van de wet te
ontsnappen, een clausule in de huurovereenkomst toe te voegen zoals
bijvoorbeeld: "het goed wordt verhuurd als tweede verblijfplaats", of
"het gehuurde goed is niet bestemd tot hoofdverblijfplaats van de
huurder".
Dergelijke clausules zijn slechts geldig als zij in het contract
vergezeld zijn van twee vermeldingen waaruit de werkelijke wil van
beide partijen blijkt dat zij de bestemming van de woning als
hoofdverblijfplaats van de huurder uitschakelen.
Eerste vermelding:
De clausule die aan de huurovereenkomst wordt toegevoegd moet
ondersteund worden door een uitdrukkelijke en ernstige
verantwoording, d.w.z. dat de clausule moet uitleggen om welke
redenen het goed niet kan dienen als hoofdverblijfplaats.
De wettekst bepaalt dat de rechtvaardiging ter zake met name gebonden
mag worden aan de natuurlijke bestemming van het goed.
Hierbij wordt inzonderheid gedacht aan appartementen gelegen aan de
kust die per maand verhuurd worden, vakantiechalets of
studentenkamers.
Tweede vermelding:
Om geldig te zijn moet de clausule vergezeld zijn van de
adresvermelding waar de huurder zijn hoofdverblijfplaats zal hebben
gedurende de duur van de huurovereenkomst (wat dus bewijst dat de
huurder zijn hoofdverblijfplaats elders heeft).
2. Wat gebeurt er als een huurder een goed huurt zonder er zijn
hoofdverblijfplaats te vestigen en later beslist, in de loop van
de overeenkomst, het toch te doen ?
De huurwet is vanaf dat ogenblik van toepassing maar uitsluitend
indien de verhuurder zijn schriftelijke toestemming geeft opdat het
goed bestemd wordt tot hoofdverblijfplaats van de huurder.
In dat geval begint een nieuwe huurovereenkomst met ingang van de
datum waarop de verhuurder zijn toestemming heeft verleend.
|
Voorbeeld: Een appartement wordt voor 3 jaar gehuurd als tweede verblijfplaats, vanaf 1 januari 1996. Vanaf 1 september 1997 beslist de huurder er permanent te wonen. De verhuurder geeft zijn schriftelijke toestemming. Dan begint een nieuwe huurovereenkomst die onder de bepalingen van de huurwet valt. De duur zal dus 9 jaar belopen behalve indien de partijen een andere duur bepalen, onder de voorwaarden voorzien in de wet (Hfst. IV, 2, 3 en 4). |
Wat gebeurt er wanneer een gehuurd goed, bestemd tot
hoofdverblijfplaats van de huurder, van bestemming verandert ?
In dit geval zijn de bijzondere bepalingen van de huurwet niet meer
van toepassing.
Dit betekent echter niet dat de huurovereenkomst beëindigd wordt
.
|
Voorbeeld: Een geschreven huurovereenkomst
betreffende de woning die de huurder tot zijn
hoofdverblijfplaats bestemt, wordt van kracht op 1 juli
1997. |
Wat gebeurt er bij onderhuur ?
De huurwet was ook reeds van toepassing in geval van onderhuur op
voorwaarde:
1. dat de toepassingsvoorwaarden hierboven beschreven vervuld
zijn, d.w.z. dat het onderverhuurd goed bestemd is tot
hoofdverblijfplaats van de huurder en dat de hoofdhuurder (die de
verhuurder is van de onderhuurder) akkoord gaat met deze
bestemming;
2. dat de onderhuur gesloten wordt na het van kracht worden
van de huurwet, d.w.z. na 28 februari 1991;
3. dat de onderhuur gesloten wordt in overeenstemming met de
regels voorzien door de huurwet (zie Hfst. VIII).
De wet van 13 april 1997 vult de huurwet inzake de
onderhuur verder aan:
1. wanneer de huurder een gemeente is, een OCMW, een
instelling van openbaar nut of een vennootschap met sociaal oogmerk,
is de huurwet normaal niet op hen van toepassing . Zij kunnen
inderdaad hun hoofdverblijfplaats in dat goed niet hebben. Wanneer
zij die woning echter onderverhuren - met het akkoord van de
verhuurder - aan minder gegoede personen of aan personen in een
behartenswaardige sociale situatie, dan vallen zowel de
hoofdhuurovereenkomst als de onderverhuring onder toepassing van de
huurwet;
2. wanneer zijn handelshuurovereenkomst hem dit niet verbiedt
kan ook een huurder van een handelspand een gedeelte daarvan
onderverhuren om te worden gebruikt als hoofdverblijfplaats.
1. De huurwet is automatisch en volledig van toepassing op
de contracten die mondeling of schriftelijk werden gesloten
na 28 februari 1991.
|
Opgelet ! |
|
|
Voorbeeld: Een huurovereenkomst voor 7 jaar werd
op 23 januari 1991 ondertekend; de datum waarop deze van
kracht wordt is vastgesteld op 1 april 1991. |
|
Opgelet! |
3. Indien het gaat om een geschreven contract van
onbepaalde duur of een mondelinge overeenkomst, werd de
huurwet automatisch en onmiddellijk van toepassing op deze
huurovereenkomst, met uitzondering evenwel voor wat betreft
sommige overeenkomsten die verlengd werden:
ofwel krachtens een vonnis;
ofwel krachtens de wet van 22 december 1989 of van 28 december
1990.
notariskantoor Van Damme
Residentie "Groenhove"
Gistelse Steenweg 138 bus F/1
8200 Brugge (Sint-Andries) België
Tel. +32 50 38.11.11 en +32 50 40.40.40
Fax +32 50 38.57.77 en + 32 50 40.40.20
E-mail: vandamme@notare.be URL:
http://www.notare.be
Laatst bijgewerkt op 18 mei 2000