Echtscheiding en belastingen
artikel verschenen in De Standaard van auteur
Luc Vanheeswijck
26/10/2000
"Fiscale afrekening na
echtscheiding
Wanneer een gehuwd paar
uit mekaar gaat, worden zij apart belast vanaf het jaar dat volgt op dat waarin
de feitelijke scheiding tot stand kwam. Soms worden zij nog jaren na hun
echtscheiding vervolgd voor fiscale schulden die hun ex-partner heeft gemaakt in
de periode dat ze nog gehuwd waren. De rechtspraak van de rechtbanken en hoven
van beroep leek meer en meer te gaan in de richting dat de ene partner niet meer
kon worden aangesproken voor belastingschulden van de andere, wanneer die
aanslagen pas na de echtscheiding werden gevestigd. Het Hof van Cassatie zet dit
echter weer op de helling.
Gehuwden die uit mekaar gaan, worden vanaf het daaropvolgende inkomstenjaar
fiscaal beschouwd als alleenstaanden. Dat houdt in dat zij aparte aangiften doen
en afzonderlijk belast worden. Vanaf aanslagjaar 2000 worden die afzonderlijke
aanslagen desalniettemin gevestigd op naam van beide partners. Vroeger gebeurde
dat niet en werd een aanslag ingekohierd op naam van ieder van hen.
Het feit dat ze apart belast werden, belette evenwel niet dat beide echtgenoten
aansprakelijk bleven voor de betaling van elkaars belastingschuld en dit zolang
ze getrouwd bleven. Het was dus perfect mogelijk dat een vrouw plots
geconfronteerd werd met een fiscale schuld van haar man van wie ze al tien jaar
niets meer gehoord had. Door het enkele feit dat zij nog steeds met hem getrouwd
was, kon zij, behalve in enkele uitzonderingsgevallen, ertoe worden verplicht
zijn belastingen te betalen.
Sommige belastingbetalers werden zelfs jaren na hun echtscheiding nog lastig
gevallen voor belastingschulden van hun vroegere partner. Een aantal van hen
trok naar de beslagrechter en, daarna, naar de hoven van beroep om aan deze
invordering te ontsnappen.
Recentelijk leek er zich een tendens af te tekenen waarbij de betrokkenen konden
rekenen op enig begrip van de rechtscolleges. Zo oordeelden het hof van beroep
van Gent en het hof van beroep van Antwerpen reeds dat de aansprakelijkheid voor
de fiscale schulden van de echtgenoot niet geldt wanneer de aanslagen werden
gevestigd nadat de echtscheiding definitief is geworden, zelfs indien die
aanslagen betrekking hebben op een periode voorafgaand aan de echtscheiding (zie
o.m. T.F.R., september 2000, p. 741 e.v.).
Het Hof van Cassatie is echter een andere mening toegedaan (Cass., 15
september 2000, Fiscoloog, nr. 771, p. 11) . Volgens het Hof speelt het geen
rol dat de aanslag werd gevestigd na de datum van de echtscheiding. Wanneer de
belasting betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de ontbinding van het
huwelijk, zijn beide echtgenoten aansprakelijk voor de betaling ervan. De
belastingschuld ontstaat niet door de vestiging van de aanslag. Zij ontstaat uit
hoofde van de fiscale wet.
Hiermee lijkt het laatste woord echter nog niet gesproken. Op 2 mei 2000 heeft
het hof van beroep van Gent immers de invordering na de echtscheiding afgewezen
op grond van een andere redenering. Het Hof beschouwt het artikel dat de
invordering bij de andere echtgenoot toelaat, met name art. 394 W.I.B./92, als
een bijzondere toepassing van artikel 393. Artikel 393 regelt de invordering van
aanslagen die op naam van meerdere personen zijn gevestigd. Die aanslagen kunnen
maar van de betrokkenen worden gevorderd in verhouding tot hun aandeel.
Voor echtgenoten speelt hier een uitzondering: aanslagen op naam van de
echtgenoten kunnen in de regel voor hun geheel bij elk van beide worden
gevorderd. Dat is echter slechts mogelijk, aldus het hof, indien de
basisvoorwaarde ook vervuld is, met name wanneer de aanslag op naam van beide
echtgenoten is ingekohierd. Omdat dat na een feitelijke scheiding niet meer het
geval is, is het kohier op naam van de ene partner niet zomaar uitvoerbaar tegen
de andere.
Wordt ongetwijfeld nog vervolgd."
artikel verschenen in De Standaard van auteur
Luc Vanheeswijck
25/05/2000:
Vertraging bij betaling
onderhoudsgeld fiscaal bestraft
Om fiscaal aftrekbaar te
zijn, moeten onderhoudsgelden regelmatig worden betaald. De aftrek van
alimentatie die regelmatig te laat wordt betaald, kan worden geweigerd, zoals
blijkt uit een recent arrest van de rechtbank van eerste aanleg van Brugge.
In het kader van een echtscheiding wordt de man veroordeeld om voor elk van zijn
twee kinderen een maandelijks onderhoudsgeld te betalen van 12.500 frank. Dit
onderhoudsgeld moet op basis van het vonnis vooraf worden betaald. Gedurende
verscheidene maanden wordt er echter niets betaald, zodat de vrouw uiteindelijk
laat overgaan tot loonbeslag.
Gedurende de daarop volgende jaren volgt er verschillende keren een loonbeslag
omdat er geen vrijwillige betalingen gebeuren.
In zijn fiscale aangifte brengt de man de sommen die via het loonbeslag aan zijn
ex-echtgenote worden betaald, in aftrek. Maar zijn belastingcontroleur verwerpt
het grootste gedeelte van deze onderhoudsgelden. Een deel ervan heeft immers
betrekking op bedragen die verschuldigd waren gedurende een voorgaand jaar. Een
ander deel werd met minstens drie maanden vertraging betaald. Volgens de fiscale
administratie is er hier geen sprake meer van een regelmatige betaling en zijn
de voorwaarden voor aftrekbaarheid niet vervuld.
De belastingplichtige brengt de zaak uiteindelijk voor de rechtbank van eerste
aanleg van Brugge. Hij argumenteert daar dat de vereiste regelmaat niet inhoudt
dat het onderhoudsgeld wekelijks, maandelijks of trimestrieel moet betaald
worden. Het volstaat volgens hem dat er herhaaldelijke betalingen gebeuren. Een
eventuele vertraging heeft niet voor gevolg dat er geen regelmaat, in de
betekenis van herhaling, zou zijn.
In een vonnis van 27 maart 2000 (Fisk. Koerier nr. 10) stuurt de
rechtbank hem echter wandelen. Volgens de rechtbank moet het begrip regelmaat
worden verstaan als periodiek. Dit veronderstelt dat de betalingen punctueel en
volgens de omstandigheden herhaaldelijk plaatsvinden. Dit moet worden beoordeeld
aan de hand van de feitelijke omstandigheden van iedere zaak.
In dit geval moest er maandelijks vooraf worden betaald. Betalingen met een
vertraging van drie maanden of meer kunnen in dergelijk geval niet meer als
regelmatig worden beschouwd. De rechtbank bevestigt dan ook het standpunt van de
belastingadministratie.
De administratie gaat er immers al lang van uit dat alimentatiegelden die met
niet meer dan drie maanden vertraging worden betaald, nog steeds regelmatig
zijn. Hieruit kan men ook afleiden dat een vertraging van meer dan drie maanden
niet door de beugel kan.
Terloops velt de rechtbank in deze zaak ook een oordeel over de inwerkingtreding
van de nieuwe fiscale procedure. De belastingbetaler had immers eerst op 29
maart 1999 een procedure ingeleid voor het hof van beroep van Gent. Door de
wetten van 15 en 23 maart 1999 werd plots de rechtbank van eerste aanleg bevoegd
voor fiscale geschillen en wel vanaf 1 maart 1999. Het gevolg was dat alle
procedures die na 1 maart 1999 nog volgens de oude regels voor het hof van
beroep waren gebracht, opnieuw moesten worden ingeleid voor de rechtbank van
eerste aanleg.
De betrokkene vindt dit een staaltje van slechte wetgeving en vraagt vergoed te
worden voor de kosten van de nutteloze procedure voor het hof van beroep. De
rechtbank merkt evenwel op dat hij zijn zaak pas op 29 maart bij het hof had
ingeleid. De wetten van 15 en 23 maart 1999, die pas in werking traden op 6
april 1999, waren reeds op 27 maart 1999 in het Staatsblad
gepubliceerd.Op het moment dat hij zijn procedure voor het hof van beroep
startte, moest de belastingbetaler dan ook weten dat dit zinloos was. Hij draait
dan ook zelf op voor de kosten van die nutteloze procedure."
"Kinderen
geven soms dubbel fiscaal voordeel De ouder die het hoederecht heeft, mag de kinderen vermelden als personen ten
laste, tenminste als hun netto bestaansmiddelen niet hoger zijn dan 76.000
frank. Bij het berekenen van die netto bestaansmiddelen wordt rekening gehouden
met de ontvangen onderhoudsgelden. Ligt het brutobedrag van de alimentatierenten
hoger dan 95.000 frank per kind, dan verliest de ouder die het hoederecht heeft
een substantieel fiscaal voordeel.
Luc
Vanheeswijck
02/03/2000
BRUSSEL -- Vanaf het aanslagjaar 2000 kunnen gescheiden ouders die via
het systeem van co-ouderschap gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kinderen
uitoefenen, de daaraan verbonden belastingvermindering onder elkaar verdelen. De
ouder die een alimentatiegeld voor de kinderen betaalt aan zijn ex-partner, mag
dan dit alimentatiegeld niet meer in aftrek brengen. Toch zijn er nog situaties
waarin kinderen zowel recht geven op een belastingvermindering als persoon ten
laste, als op een aftrekbaar onderhoudsgeld.
Bij een ,,klassieke'' echtscheiding wordt het hoederecht over de kinderen aan
een van de ouders toegewezen. De andere ouder krijgt een bezoekrecht en moet
bijdragen in de kosten van onderhoud en opvoeding via de betaling van een
onderhoudsgeld.
De ouder die het alimentatiegeld betaalt, mag 80 procent daarvan fiscaal in
aftrek brengen. Voor de kinderen is deze 80 procent in principe een belastbaar
inkomen, maar als zij geen andere inkomsten hebben en het onderhoudsgeld het
belastingvrij minimum (208.000 frank) niet overschrijdt, zijn zij geen belasting
verschuldigd.
Het ideale fiscale onderhoudsgeld bedraagt dan ook 95.000 frank per kind. Van
deze 95.000 frank is 76.000 frank aftrekbaar voor de ouder die het betaalt. De
kinderen zijn op het ontvangen bedrag geen belasting verschuldigd, terwijl zij
toch fiscaal ten laste blijven van de ouder die het hoederecht heeft.
Wanneer beide ouders in het kader van een co-ouderschap gezamenlijk het
hoederecht over de kinderen uitoefenen en de kinderen beurtelings bij een van
beide ouders verblijven, kunnen de ouders vanaf aanslagjaar 2000 overeenkomen om
elk de helft van de belastingvermindering voor personen ten laste toe te passen.
Dit is evenwel niet interessant als een van de ouders aan de andere ook nog een
bijdrage betaalt voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen. Door de
kinderen fiscaal ten laste te nemen, verliest deze ouder immers de mogelijkheid
om het onderhoudsgeld fiscaal in aftrek te brengen.
Het combineren van de belastingvermindering voor personen ten laste is in
principe niet combineerbaar met de aftrek van onderhoudsgelden. Om als persoon
ten laste te worden beschouwd, moet het kind immers deel uitmaken van het gezin
van de ouder in kwestie. Voor een aftrekbaar onderhoudsgeld mag het kind evenwel
geen deel uitmaken van hetzelfde gezin.
Toch bestaat er nog altijd een situatie waarin de kinderen zowel recht geven op
een belastingvermindering als persoon ten laste, als op de aftrek van de
betaalde onderhoudsgelden. In het jaar waarin de ouders uit elkaar gaan en een
feitelijke scheiding tot stand komt, worden zij nog altijd samen belast. Hun
inkomsten worden voor de berekening van de belasting samengevoegd.
De ouder bij wie de kinderen verblijven, mag deze opgeven als persoon ten laste.
De andere ouder, die een onderhoudsgeld betaalt, mag 80 procent daarvan in
aftrek brengen.
Op het ogenblik dat hij het onderhoudsgeld betaalt, maken de kinderen immers
geen deel meer uit van zijn gezin (zie Gent, 6 mei 1999, T.F.R., 2000, p.
111, met noot L. Hertecant).
Op deze manier geven dezelfde kinderen op een en hetzelfde aanslagbiljet
recht op een belastingvermindering als persoon ten laste en op een aftrekbaar
onderhoudsgeld."
notariskantoor Van
Damme
Residentie "Groenhove"
Gistelse Steenweg 138 bus F/1
8200 Brugge (Sint-Andries) België
Tel. +32 50 38.11.11 en +32 50 40.40.40
Fax +32 50 38.57.77 en + 32 50 40.40.20
E-mail: vandamme@notare.be
URL: http://www.notare.be
Laatst bijgewerkt op 18 augustus 2001