Echtscheiding door onderlinge toestemming


Situering

Akte(n)

Verloop van de procedure

Gevolgen

Echtscheiding en belastingen

Inwerkingtreding


1 situering

1.1 De wet kent drie vormen van echtscheiding

a. De echtscheiding op grond van bepaalde feiten.

Hierbij veronderstelt men in principe een fout van één der echtgenoten.
In deze procedure stelt de echtgenoot die de echtscheiding wil bekomen, via zijn advocaat een rechtsvordering in opdat de echtscheiding in het "nadeel" van de schuldige echtgenoot zou worden uitgesproken.

b. De echtscheiding op grond van een feitelijke scheiding van meer dan twee jaar.

De rechtbank stelt vast dat de echtgenoten minstens twee jaar gescheiden leven en spreekt de echtscheiding uit ten nadele van de echtgenoot die de echtscheiding heeft gevraagd.

c. De echtscheiding door onderlinge toestemming, onderwerp van deze tekst.

Zonder elkaar de schuld te geven kunnen echtgenoten een einde stellen aan hun huwelijk en vooraf zelf een regeling uitwerken voor de materiële en familiale problemen.
Hierbij kan de notaris de rol van bemiddelaar vervullen.
Indien zich ernstige problemen voordoen onderhandelt de notaris, al dan niet in overleg met de eventuele advocaten van beide partijen, om de verschillende standpunten met elkaar te verzoenen en een klare en precieze overeenkomst op te stellen.

1.2 De grondvoorwaarden

om een echtscheiding door onderlinge toestemming in te leiden zijn:

2 Akten

2.1 Boedelbeschrijving

De echtgenoten zijn niet verplicht een boedelbeschrijving op te maken.
Wensen zij dit wel, dan moet een notariële akte opgesteld en met eed bekrachtigd worden.
De boedelbeschrijving heeft tot doel de omvang van de huwelijksgemeenschap of de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestaat, vast te stellen.
Eigen goederen of schulden moeten niet worden geïnventariseerd.
De schulden van beide echtgenoten en de eventuele vergoedingen worden wel opgegeven.
Deze opgave moet volledig en naar waarheid gebeuren.
Alhoewel niet strikt vereist, is de inventaris toch zeer bruikbaar om een volledige en sluitende overeenkomst op te stellen.
Wanneer de echtgenoten reeds geruime tijd een afzonderlijke woning betrekken, ligt het minder voor de hand nog een inventaris op te stellen.

2.2 Regeling rechten

2.2.1 De tussenkomst van een notaris is verplicht wanneer:

In alle andere gevallen mag de overeenkomst onderhands worden opgemaakt.
Toch geniet de notariële akte de voorkeur omwille van de voordelen verbonden aan elke authentieke akte, namelijk de juridische uitvoerbaarheid ervan.

2.2.2 Echtgenoten zijn vrij bij het treffen van een vergelijk.

De regeling en verdeling moeten niet noodzakelijk overeenstemmen met deze die in het huwelijkscontract werden vastgesteld.
Zo kan een persoonlijk onroerend goed van de man overgaan naar de vrouw (evenwel mits betaling van 12,5% registratierechten).
Ook kan één echtgenoot een groter deel krijgen dan de andere.
De enige vereiste is dat de regeling door beide partijen wordt aanvaard.

2.2.3 De overeenkomst bevat onder meer:
  1. de vermelding van de verblijfplaats van beide echtgenoten gedurende de proeftijd;
  2. afspraken over wie het bestuur over de persoon en over de goederen van de kinderen en over wie het bezoekrecht zal uitoefenen, zowel gedurende de proeftijd als na de echtscheiding.
    Dit is een zeer delicate materie.
    Bij het maken van afspraken dient het gezond verstand te primeren.
    Alle vakanties of feesten kunnen immers onmogelijk voorzien worden.
    Mogelijkheid van een regeling van co-ouderschap;
  3. afspraken over de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van hun kinderen.
    Een juiste formulering zal ook hier latere betwistingen voorkomen.
    De bijdrage wordt bij voorkeur per kind bepaald. Hoelang moet zij worden betaald? Wordt zij verhoogd op een bepaalde leeftijd, geïndexeerd? Moeten bijzondere tussenkomsten zoals voor medische zorgen worden voorzien?;
  4. de vermelding van het bedrag van de uitkering te betalen door de ene echtgenoot aan de andere, gedurende de proeftijd en na de echtscheiding. Tenzij uitdrukkelijk voorzien, kan dit bedrag niet gewijzigd worden.
    Men kan overeenkomen dat de uitkering wordt geïndexeerd.
    In dit geval zal worden aangegeven op welke index men zich baseert, het basisindexcijfer en ook het (regelmatig terugkerende) tijdstip waarop het bedrag aangepast zal worden.
    De uitkeringsplicht kan eindigen bij het overlijden van de uitkeringsplichtige of de uitkeringsgerechtigde, bij een nieuw huwelijk of het aangaan van een nieuwe relatie door de uitkeringsgerechtigde; het bedrag van de uitkering kan verlagen bij werkonbekwaamheid of werkloosheid van de uitkeringsplichtige, eventueel verhogen bij promotie van de uitkeringsplichtige, enz.
    Alles moet uitdrukkelijk in de overeenkomst worden opgenomen, zoniet verandert de uitkering nooit. (tenzij bij onderlinge overeenkomst of na een nieuwe rechterlijke uitspraak);
  5. een afspraak over het eventueel erven van de echtgenoten van elkaar tijdens de procedure of na de echtscheiding .

3 Verloop van de procedure

3.1 Verzoekschrift

De vordering tot echtscheiding wordt ingeleid met een verzoekschrift dat wordt ondertekend door beide echtgenoten of door een notaris of een advocaat.
De echtgenoten kiezen zelf de rechtbank waarvoor zij willen verschijnen.
Hun woonplaats speelt bij deze keuze geen rol.

3.2 Duur

Binnen de maand na neerlegging van het verzoekschrift volgt de eerste verschijning voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
De tweede en tevens laatste verschijning heeft plaats in de loop van de vierde maand die volgt op de datum van het proces-verbaal van de eerste verschijning.
Is de rechtbank van oordeel dat de echtgenoten aan alle voorwaarden en formaliteiten hebben voldaan, dan wordt de echtscheiding uitgesproken en zijn ze uit de echt gescheiden, onder voorbehoud van hoger beroep en voorziening in cassatie.

3.3 Vertegenwoordiging

Normaliter verschijnen de echtgenoten "samen en in persoon" voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
In uitzonderlijke omstandigheden (bv. woonplaats of beroepsmatig verblijf in het buitenland, ernstige ziekte of ongeval), kunnen zij zich laten vertegenwoordigen door een notaris of advocaat.
Hiertoe wordt een afzonderlijk verzoekschrift gericht aan de voorzitter van de rechtbank.
De nodige bewijs- en overtuigingsstukken worden eraan toegevoegd.

3.4 Advies openbaar ministerie - verhoor van de kinderen

Het openbaar ministerie controleert de wettelijke vereisten van de echtscheiding en zal zich ook uitspreken over de inhoud van de overeenkomsten.
Zowel de legaliteit als de opportuniteit van de getroffen regelingen worden beoordeeld.
Het kind krijgt hierbij bijzondere aandacht; de rechter en het openbaar ministerie laten zich uitsluitend leiden door het belang van het kind.
Overeenkomstig met de Universele Conventie over de Rechten van het Kind (UCRK) en op verzoek van de rechter moeten de kinderen, die in staat zijn een eigen mening te uiten (een minimumleeftijd is niet voorzien), gehoord worden.
De rechter kan voorstellen de overeenkomsten over de kinderen te schrappen of te wijzigen.
In dit geval dienen de echtgenoten aanvullende overeenkomsten op te stellen, die voor de laatste verschijning op de griffie van de rechtbank worden neergelegd.
Gaan de echtgenoten niet op het verzoek in, dan kan dit tot de afwijzing van de echtscheiding leiden.

3.5 Co-ouderschap

3.6 Wijzigingen van de overeenkomst tijdens de procedure

Deze wijzigingen kunnen slaan op de overeenkomsten:

Indien fundamentele wijzigingen worden aangebracht, moet de procedure volledig hernomen worden.

3.7 Uitspraak echtscheiding

De rechtbank spreekt de echtscheiding door onderlinge toestemming uit.
Daardoor is het huwelijk ontbonden.

3.8 Hoger beroep - voorziening in cassatie

Spreekt de rechtbank de echtscheiding uit, dan kan het openbaar ministerie of één van beide echtgenoten nog hoger beroep instellen.
De termijn om in hoger beroep te gaan bedraagt één maand.
De termijn voor voorziening in cassatie bedraagt drie maanden.

3.9 De overschrijving in de registers van de burgerlijke stand

De griffier van de rechtbank zorgt ervoor dat het beschikkend gedeelte van het vonnis of arrest overgeschreven wordt in de registers van de burgerlijke stand binnen de maand na ontvangst van het uittreksel van het vonnis.

4 Gevolgen

Het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, heeft ten aanzien van derden eerst uitwerking vanaf de dag dat het is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand, het is dan tegenstelbaar aan iedereen.
T.a.v. de echtgenoten zelf maken wij een onderscheid tussen:

Echtscheiding en belastingen
artikel verschenen in De Standaard van auteur Luc Vanheeswijck
26/10/2000
"
Fiscale afrekening na echtscheiding

Wanneer een gehuwd paar uit mekaar gaat, worden zij apart belast vanaf het jaar dat volgt op dat waarin de feitelijke scheiding tot stand kwam. Soms worden zij nog jaren na hun echtscheiding vervolgd voor fiscale schulden die hun ex-partner heeft gemaakt in de periode dat ze nog gehuwd waren. De rechtspraak van de rechtbanken en hoven van beroep leek meer en meer te gaan in de richting dat de ene partner niet meer kon worden aangesproken voor belastingschulden van de andere, wanneer die aanslagen pas na de echtscheiding werden gevestigd. Het Hof van Cassatie zet dit echter weer op de helling.
Gehuwden die uit mekaar gaan, worden vanaf het daaropvolgende inkomstenjaar fiscaal beschouwd als alleenstaanden. Dat houdt in dat zij aparte aangiften doen en afzonderlijk belast worden. Vanaf aanslagjaar 2000 worden die afzonderlijke aanslagen desalniettemin gevestigd op naam van beide partners. Vroeger gebeurde dat niet en werd een aanslag ingekohierd op naam van ieder van hen.
Het feit dat ze apart belast werden, belette evenwel niet dat beide echtgenoten aansprakelijk bleven voor de betaling van elkaars belastingschuld en dit zolang ze getrouwd bleven. Het was dus perfect mogelijk dat een vrouw plots geconfronteerd werd met een fiscale schuld van haar man van wie ze al tien jaar niets meer gehoord had. Door het enkele feit dat zij nog steeds met hem getrouwd was, kon zij, behalve in enkele uitzonderingsgevallen, ertoe worden verplicht zijn belastingen te betalen.
Sommige belastingbetalers werden zelfs jaren na hun echtscheiding nog lastig gevallen voor belastingschulden van hun vroegere partner. Een aantal van hen trok naar de beslagrechter en, daarna, naar de hoven van beroep om aan deze invordering te ontsnappen.
Recentelijk leek er zich een tendens af te tekenen waarbij de betrokkenen konden rekenen op enig begrip van de rechtscolleges. Zo oordeelden het hof van beroep van Gent en het hof van beroep van Antwerpen reeds dat de aansprakelijkheid voor de fiscale schulden van de echtgenoot niet geldt wanneer de aanslagen werden gevestigd nadat de echtscheiding definitief is geworden, zelfs indien die aanslagen betrekking hebben op een periode voorafgaand aan de echtscheiding (zie o.m. T.F.R., september 2000, p. 741 e.v.).
Het Hof van Cassatie is echter een andere mening toegedaan (Cass., 15 september 2000, Fiscoloog, nr. 771, p. 11) . Volgens het Hof speelt het geen rol dat de aanslag werd gevestigd na de datum van de echtscheiding. Wanneer de belasting betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de ontbinding van het huwelijk, zijn beide echtgenoten aansprakelijk voor de betaling ervan. De belastingschuld ontstaat niet door de vestiging van de aanslag. Zij ontstaat uit hoofde van de fiscale wet.
Hiermee lijkt het laatste woord echter nog niet gesproken. Op 2 mei 2000 heeft het hof van beroep van Gent immers de invordering na de echtscheiding afgewezen op grond van een andere redenering. Het Hof beschouwt het artikel dat de invordering bij de andere echtgenoot toelaat, met name art. 394 W.I.B./92, als een bijzondere toepassing van artikel 393. Artikel 393 regelt de invordering van aanslagen die op naam van meerdere personen zijn gevestigd. Die aanslagen kunnen maar van de betrokkenen worden gevorderd in verhouding tot hun aandeel.
Voor echtgenoten speelt hier een uitzondering: aanslagen op naam van de echtgenoten kunnen in de regel voor hun geheel bij elk van beide worden gevorderd. Dat is echter slechts mogelijk, aldus het hof, indien de basisvoorwaarde ook vervuld is, met name wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten is ingekohierd. Omdat dat na een feitelijke scheiding niet meer het geval is, is het kohier op naam van de ene partner niet zomaar uitvoerbaar tegen de andere.
Wordt ongetwijfeld nog vervolgd."

5 Inwerkingtreding

De wet is integraal van toepassing op alle procedures van echtscheiding door onderlinge toestemming waarvoor het verzoekschrift is neergelegd na 30 september 1994.

6. Interessante artikelen
"Als uw ex niet betaalt"  Het gebeurt geregeld dat (gewezen) echtgenoten die werden veroordeeld tot het betalen van een onderhoudsuitkering aan vrouw en kinderen, die verplichting niet naleven. Ze betalen de alimentatie die ze verschuldigd zijn maar deels (of zelfs helemaal niet). Wat kan men eigenlijk beginnen tegen zo'n onwillige onderhoudsplichtige?
"Over verwijten, dronkenschap en andere beledigingen" Als u uit de echt wil scheiden, dan kan dat door onderlinge toestemming, op grond van twee jaar feitelijke scheiding en ook op grond van een fout van uw echtgenoot. De fouten die daarbij, volgens de wet, in aanmerking kunnen worden genomen zijn overspel (hierover hebben we het vroeger al ruimschoots gehad), gewelddaden of mishandelingen (deze bewoordingen spreken voor zich) alsook grove beledigingen. Maar wat valt er nu precies onder die noemer van de ,,grove beledigingen''?
"Als de alimentatie niet meer volstaat" Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming moeten de echtgenoten die uit de echt willen scheiden, onder meer afspraken maken over de bijdrage die zij elk zullen leveren in het levensonderhoud van hun kinderen. Veelal wordt dan afgesproken dat één van hen aan de andere een maandelijks bedrag aan alimentatie betaalt voor de kinderen.
Het gebeurt zeer vaak dat één van de (dan intussen ex-)echtgenoten een paar jaar later die afspraak opnieuw ter discussie wil stellen. En dit bijvoorbeeld omdat het afgesproken bedrag zogenaamd te laag zou zijn geworden, nu de kinderen ouder zijn geworden en naar een andere school gaan. Of omdat diegene die de uitkering betaalt, intussen een andere (beter betaalde) job heeft. Maar kan men eigenlijk wel terugkomen op zo'n afspraak?
"Uit elkaar en toch nog erven" Als iemand overlijdt wordt zijn of haar nalatenschap verdeeld onder de erfgenamen. Eén van die erfgenamen is vaak de echtgenoot of echtgenote van de overledene. Zolang alles goed gaat tussen beiden is dat ook niet meer dan normaal. Maar wat als er een (serieus) haar in de boter zat op het moment van het overlijden van één van hen? Kan ook dan de overlevende echtgenoot aanspraak maken op een gedeelte van de nalatenschap van de overledene? Geldt dit erfrecht met andere woorden ook nog als er echtelijke moeilijkheden zijn en de echtgenoten bijvoorbeeld al een tijd niet meer samenwonen?
"Samen uit, samen thuis" Als een echtpaar echtelijke moeilijkheden heeft, zullen de echtgenoten vaak apart willen gaan wonen. En dit al dan niet tijdelijk -- ze lassen een periode van bezinning in -- dan wel definitief -- waarbij de feitelijke scheiding veelal zal uitmonden in een echtscheiding. Vaak blijft één van hen dan in de vroegere echtelijke woonst wonen, terwijl de andere een huis, appartement of studio huurt of bij familie zijn intrek neemt of iets dergelijks.
Bij dit alles vergeet men wel eens dat het zomaar verlaten van de echtelijke woonst niet zonder gevaren is. Want de echtgenoot die in de echtelijke woonst blijft, zou de andere later -- bijvoorbeeld in het kader van een eventuele echtscheidingsprocedure -- wel eens kunnen verwijten dat die ,,thuis'' is weggegaan.
   
   
   
   

 






"Als uw ex niet betaalt

artikel van Jan Roodhooft verschenen in De Standaard van 17/07/2001

Het gebeurt geregeld dat (gewezen) echtgenoten die werden veroordeeld tot het betalen van een onderhoudsuitkering aan vrouw en kinderen, die verplichting niet naleven. Ze betalen de alimentatie die ze verschuldigd zijn maar deels (of zelfs helemaal niet). Wat kan men eigenlijk beginnen tegen zo'n onwillige onderhoudsplichtige?
In eerste instantie kan men trachten beslag te leggen op de goederen en inkomsten van de onderhoudsplichtige. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gelden en waarden die op de bankrekening, het spaarboekje of de effectenrekening van de onderhoudsplichtige staan, aan diens roerende goederen (wagen, meubelen...), eventuele onroerende goederen en dergelijke meer. Beslag kan eveneens gelegd worden op het loon dat de onderhoudsplichtige ontvangt. In dit geval zijn veelal geen beperkingen op het bedrag waaronder geen beslag kan worden gelegd.
Vooraleer beslag wordt gelegd, dient natuurlijk meer informatie te worden ingewonnen over de vermogenstoestand van de schuldenaar van de onderhoudsuitkering. Er dient bijvoorbeeld te worden achterhaald of die wel onroerende goederen heeft, waar hij werkt, met welk soort wagen hij rijdt en dergelijke meer. Pas nadat men deze informatie heeft, kan worden beslist op welke vermogensbestanddelen men beslag zal leggen. Voor het inwinnen van die informatie kan men een beroep doen op een gerechtsdeurwaarder. Blijkt dat de onderhoudsplichtige geen vermogen heeft en dat hij ook geen inkomsten heeft, dan zal een beslag wellicht niets uithalen.
Een ander denkspoor bestaat erin strafklacht neer te leggen tegen de onderhoudsplichtige die niet betaalt. Want die kan zich schuldig maken aan het misdrijf van familieverlating. Om hiervoor te kunnen worden veroordeeld, is vooreerst vereist dat in hoofde van de onderhoudsplichtige een wettelijk beschermde onderhoudsplicht bestaat. Bovendien moet een rechterlijke beslissing voorliggen die deze onderhoudsplicht bevestigt en waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat. Een derde voorwaarde opdat het misdrijf van familieverlating zou voorliggen is dat de onderhoudsplichtige gedurende een termijn van meer dan twee maanden de rechterlijke beslissing waarbij hij veroordeeld werd een uitkering tot onderhoud te betalen, niet naleeft. Bovendien is vereist dat de onderhoudsplichtige de onderhoudsverplichting vrijwillig niet uitvoert. Is de onderhoudsplichtige bijvoorbeeld door ziekte of een zwakke gezondheid in de onmogelijkheid om een winstgevend beroep uit te oefenen, dan ligt er geen vrijwillige inbreuk op de onderhoudsverplichting, en dus geen strafrechtelijk feit voor.
Familieverlating is strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van 50 tot 500 frank (deze bedragen moeten worden vermenigvuldigd met 200). Bij een tweede veroordeling op deze grond binnen de vijf jaar na de eerste, kunnen deze straffen zelfs worden verdubbeld. In de praktijk stelt men trouwens vast dat het geregeld gebeurt dat onderhoudsplichtigen die hun verplichting niet nakomen ook een effectieve gevangenisstraf krijgen...
Of dit voor de onderhoudsgerechtigde ook een goede zaak is, is een andere kwestie. Want als de onwillige onderhoudsplichtige achter de tralies belandt, zal hij daardoor wellicht nog minder inkomsten krijgen. En wordt de kans alleen maar kleiner dat de onderhoudsgerechtigde uiteindelijk ook aan zijn centen zal geraken.
De onderhoudsgerechtigde zou ook aan de rechtbank een sommendelegatie kunnen vragen. Dit houdt in dat hij zich laat machtigen door de rechter om zich rechtstreeks te laten betalen door de schuldenaars van de onderhoudsplichtige, bijvoorbeeld de werkgever.
Bij het niet-betalen van onderhoudsuitkeringen voor de kinderen, kan men ten slotte wel eens aan het OCMW vragen voorschotten uit te betalen. Sommen die het OCMW dan zal trachten terug te vorderen van de onderhoudsplichtige. Opdat het OCMW dit zou doen, moet wel aan een aantal voorwaarden voldaan zijn (bijvoorbeeld op het vlak van de inkomsten van diegene bij wie de kinderen verblijven)."



"Over verwijten, dronkenschap en andere beledigingen

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 12/06/2001
Als u uit de echt wil scheiden, dan kan dat door onderlinge toestemming, op grond van twee jaar feitelijke scheiding en ook op grond van een fout van uw echtgenoot. De fouten die daarbij, volgens de wet, in aanmerking kunnen worden genomen zijn overspel (hierover hebben we het vroeger al ruimschoots gehad), gewelddaden of mishandelingen (deze bewoordingen spreken voor zich) alsook grove beledigingen. Maar wat valt er nu precies onder die noemer van de ,,grove beledigingen''?
Algemeen gesteld is een grove belediging elke gedraging van een echtgenoot waardoor die op een ernstige wijze tekortschiet in zijn huwelijksverplichtingen of waardoor hij de huwelijksrelatie in het gedrang brengt. De gevallen die hieronder vallen zijn zeer verscheiden. En sommige rechters gaan er wel zeer ver in. Zo werd ooit zelfs geoordeeld dat het beledigen door een echtgenote van de minnares van haar man, een grove belediging uitmaakt. En dat het feit dat een vrouw bij de belastingen ging vertellen over het zwartwerk van haar man, eveneens een grove belediging voor deze laatste vormt.
Andere gevallen zijn iets meer voor de hand liggend. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat een echtgenoot plots weigert een kerkelijk huwelijk aan te gaan als het burgerlijk huwelijk al werd gesloten, het uiten door de ene echtgenoot van zware beledigingen en verwijten aan het adres van de andere echtgenoot (als dit gebeurt in het openbaar of in de aanwezigheid van de kinderen, is dat overigens nog een verzwarende omstandigheid) en herhaalde dronkenschap of het gebruik van verdovende middelen door een echtgenoot. Andere omstandigheden die in de rechtspraak als een fout (die een grond vormt tot echtscheiding) werden aangezien, zijn het zonder gegronde reden weigeren van geslachtsgemeenschap met de echtgenoot, homoseksualiteit, overdreven jaloersheid of overdreven controle van de ene echtgenoot door de andere, ruzies die gepaard gaan met het breken van voorwerpen of van huisraad en dergelijke meer.
Het volstaat echter niet dat zo'n feit zich in uw huwelijk heeft voorgedaan opdat het ook absoluut zeker zou zijn dat u (met succes) een echtscheiding kan vragen. Er is immers ook vereist dat het feit een zwaarwichtig en bovendien een beledigend karakter heeft en dat er geen verzoening plaatsvond. Gaat het bijvoorbeeld om een eenmalig feit (de ene echtgenoot verwijt de andere één keer iets in het openbaar) of om een kleinigheid, dan zal dat vaak niet als voldoende zwaarwichtig worden aangezien om er een echtscheiding op grond van fout op te baseren. Eventueel kan het wel gebeuren dat verschillende lichtere feiten samen als voldoende zwaar worden aangezien.
Een groot probleem inzake de grove beledigingen is dat men de ingeroepen feiten moet kunnen bewijzen. En daar durft het schoentje wel eens knellen. Want hoe gaat men bijvoorbeeld de weigering om geslachtsgemeenschap te hebben, aantonen? Of hoe gaat men bewijzen dat de andere echtgenoot constant verwijten formuleerde? Nochtans zijn deze bewijzen van zeer groot belang. Zonder staat men nergens en zal de rechtbank wellicht niet ingaan op de vordering tot echtscheiding.
In de praktijk wordt geregeld gebruik gemaakt van getuigen om deze bewijzen te leveren. In echtscheidingsprocedures gebeurt het zeer vaak dat de rechtbank aan één van de echtgenoten toelaat het bewijs van bepaalde feiten te leveren via getuigen. Andere bewijsmiddelen waaraan kan worden gedacht, zijn briefwisseling, foto's, klachten die werden neergelegd en dergelijke meer.
In het Belgische echtscheidingsrecht bestaat geen systeem van schuldcompensatie. De fout van de ene echtgenoot heft dus de fout van de andere niet op. Dat betekent meteen dat elk van de echtgenoten de fouten die hij de andere kan verwijten tegen deze kan inroepen. En dat het vaak gebeurt dat de echtgenoten wederzijdse vorderingen tot echtscheiding stellen, wat overigens van zeer groot belang is als één van de echtgenoten een onderhoudsgeld vraagt.



"Als de alimentatie niet meer volstaat
Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 27/03/2001
Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming moeten de echtgenoten die uit de echt willen scheiden, onder meer afspraken maken over de bijdrage die zij elk zullen leveren in het levensonderhoud van hun kinderen. Veelal wordt dan afgesproken dat één van hen aan de andere een maandelijks bedrag aan alimentatie betaalt voor de kinderen (bij voorbeeld een bedrag van 5.000 frank per maand).
Het gebeurt zeer vaak dat één van de (dan intussen ex-)echtgenoten een paar jaar later die afspraak opnieuw ter discussie wil stellen. En dit bijvoorbeeld omdat het afgesproken bedrag zogenaamd te laag zou zijn geworden, nu de kinderen ouder zijn geworden en naar een andere school gaan. Of omdat diegene die de uitkering betaalt, intussen een andere (beter betaalde) job heeft. Maar kan men eigenlijk wel terugkomen op zo'n afspraak?
Indien beide ex-echtgenoten het eens zijn om het destijds afgesproken bedrag aan alimentatie aan te passen -- naar boven dan wel naar beneden -- is er geen probleem. De ex-echtgenoten zijn vrij dat in onderling akkoord te doen. Ze hoeven daarvoor, als er een akkoord is, volgens de meeste rechters niet opnieuw langs de rechtbank te passeren. Het is natuurlijk wel aangewezen dit nieuwe akkoord ook op papier te zetten, kwestie van de afspraak te kunnen bewijzen.
Is er geen akkoord, dan zal de ex-echtgenoot die de aanpassing wil verkrijgen, daarvoor langs de rechtbank moeten passeren, en daar een wijziging van de uitkering moeten vragen. Om die te kunnen krijgen, zal hij echter moeten kunnen aantonen dat er nieuwe omstandigheden voorliggen die een ingrijpende invloed hebben en onafhankelijk zijn van de wil van de partijen (bij voorbeeld het kind of één van de echtgenoten werd ziek, de onderhoudsplichtige verloor zijn job, ...). Want er was nu eenmaal een overeenkomst over de hoogte van de onderhoudsuitkering, die men niet zomaar opnieuw ter discussie kan stellen.
Men kan dus niet voor het minste van de rechtbank vragen dat die de onderhoudsuitkering aanpast. De omstandigheden zullen overigens alleszins ook onafhankelijk moeten zijn van de wil van de partijen. Het volstaat dus bijvoorbeeld niet dat de onderhoudsplichtige ontslag neemt en bij dezelfde werkgever in het zwart gaat werken om een vermindering van de onderhoudsuitkering te kunnen vragen. Of dat die in het buitenland gaat werken en daar een minder goed betalende job aanneemt. Discussie bestaat of een loutere verhoging van de inkomsten van de uitkeringsplichtige ouder (die verdient intussen bij voorbeeld het dubbele van vroeger) in aanmerking mag worden genomen om een wijziging van de onderhoudsuitkering te vragen.
In de overeenkomst die naar aanleiding van de echtscheiding door onderlinge toestemming wordt gesloten, kunnen de echtgenoten zelf afspreken in welke gevallen de alimentatie voor de kinderen kan worden aangepast. Het is alleszins aangewezen dat zo tewerk wordt gegaan. Op die manier kunnen immers latere discussies worden vermeden, en weten de echtgenoten op voorhand in welke gevallen zij een wijziging van de uitkering zullen kunnen vragen.
Door in de echtscheidingsovereenkomst al goede afspraken te maken, kunnen latere procedures tot wijziging van de uitkering worden vermeden. Zo kan men de onderhoudsuitkering koppelen aan de schommelingen van de index. Het verdient daarbij aanbeveling het indexcijfer waaraan men koppelt (gezondheidsindex of index der consumptieprijzen) duidelijk te omschrijven en de formule van aanpassing eveneens in de overeenkomst weer te geven.
Een tweede optie bestaat erin een variërend bedrag aan alimentatie op te nemen in functie van de leeftijd van het kind (bij voorbeeld tot 6 jaar 4.000 frank per maand, vanaf 6 tot 12 jaar 5.000 frank en boven 12 jaar 6.000 frank per maand). Een andere vaak opgenomen clausule heeft betrekking op de buitengewone kosten van levensonderhoud (bij voorbeeld operaties, studiekosten, ...).
Veelal wordt hier bepaald dat elk van de ouders voor de helft bijdraagt in die kosten. Om ook hier discussies te vermijden, wordt best omschreven wat precies onder buitengewone kosten wordt verstaan."


"Uit elkaar en toch nog erven

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 31/07/2001
Als iemand overlijdt wordt zijn of haar nalatenschap verdeeld onder de erfgenamen. Eén van die erfgenamen is vaak de echtgenoot of echtgenote van de overledene. Zolang alles goed gaat tussen beiden is dat ook niet meer dan normaal. Maar wat als er een (serieus) haar in de boter zat op het moment van het overlijden van één van hen? Kan ook dan de overlevende echtgenoot aanspraak maken op een gedeelte van de nalatenschap van de overledene? Geldt dit erfrecht met andere woorden ook nog als er echtelijke moeilijkheden zijn en de echtgenoten bijvoorbeeld al een tijd niet meer samenwonen?
Echtgenoten hebben in beginsel erfrechtelijke aanspraken in de nalatenschap van hun huwelijkspartner. Om deze erfrechten te kunnen laten gelden, is evenwel vereist dat de echtgenoten nog niet uit de echt gescheiden zijn. Concreet betekent dit dat de ene echtgenoot (tenzij er een andersluidend testament is) niet meer van de andere kan erven als er op datum van het overlijden van die echtgenoot een echtscheidingsbeslissing bestaat die niet meer vatbaar is voor enig rechtsmiddel. Is er al een echtscheidingsvonnis waartegen evenwel nog hoger beroep mogelijk is, dan kan de andere echtgenoot wel degelijk nog erven. Dat is alvast het principe.
Dit principe leidt echter in een aantal gevallen tot minder gewenste gevolgen. Want het gebeurt wel eens dat echtgenoten gedurende verscheidene jaren apart wonen zonder al uit de echt gescheiden te zijn. Een strikte toepassing van de voorgaande regels zou dan betekenen dat -- hoewel men al geruime tijd apart woont en helemaal geen contact meer heeft -- de ene echtgenoot toch van de andere blijft erven. Dit (voor een stuk) ten nadele van de kinderen of de andere erfgenamen (zoals bijvoorbeeld ouders of broers en zusters). Daarom bestaan twee belangrijke uitzonderingen op het hierboven aangegeven principe.
Vooreerst is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden een zogenaamd ontervend testament te maken. U kan uw huwelijkspartner volledig bij testament onterven zodra u zes maanden feitelijk gescheiden van hem of haar leeft. Voorwaarde is dan wel dat u voor het overlijden een afzonderlijke verblijfplaats had gevorderd voor de rechtbank. En dit zal dan veelal gebeuren in het kader van de dringende en voorlopige maatregelen die aan de vrederechter kunnen worden gevraagd. Bovendien mag u na deze vordering van afzonderlijk verblijf niet opnieuw zijn gaan samenwonen met uw partner.
Overweegt u om zulk testament op te stellen, zorg er dan alleszins voor dat het testament niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Vandaar dat het aangewezen is daarvoor langs te gaan bij de notaris die uw wilsbeschikking kan noteren in een authentiek testament.
Reservatair
Voldoet u niet aan de vermelde voorwaarden, dan kan u uw echtgenoot niet volledig onterven door middel van een testament. Het enige wat u in die situatie kan doen is de erfrechten van uw echtgenoot bij testament verminderen tot zijn reservataire aanspraken. Uw echtgenoot heeft echter steeds recht op het vruchtgebruik van de helft van de nalatenschap, waaronder ook altijd het vruchtgebruik op de gezinswoning valt. Dit kan u hem dus niet ontnemen, hoe u uw testament ook formuleert.
Daarnaast hebt u ook de mogelijkheid om uw echtgenoot voor de echtscheiding al te onterven als u kiest voor een echtscheiding door onderlinge toestemming. Echtgenoten die hiervoor kiezen moeten immers in de echtscheidingsovereenkomst een regeling treffen voor het geval één van hen overlijdt voor het vonnis of arrest dat de echtscheiding definitief maakt, wordt uitgesproken. In de overgrote meerderheid van de gevallen gebruiken echtgenoten die uit de echt willen scheiden door onderlinge toestemming wel degelijk deze mogelijkheid om elkaar te onterven."




"Samen uit, samen thuis

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 13/03/2001

Als een echtpaar echtelijke moeilijkheden heeft, zullen de echtgenoten vaak apart willen gaan wonen. En dit al dan niet tijdelijk -- ze lassen een periode van bezinning in -- dan wel definitief -- waarbij de feitelijke scheiding veelal zal uitmonden in een echtscheiding. Vaak blijft één van hen dan in de vroegere echtelijke woonst wonen, terwijl de andere een huis, appartement of studio huurt of bij familie zijn intrek neemt of iets dergelijks.
Bij dit alles vergeet men wel eens dat het zomaar verlaten van de echtelijke woonst niet zonder gevaren is. Want de echtgenoot die in de echtelijke woonst blijft, zou de andere later -- bijvoorbeeld in het kader van een eventuele echtscheidingsprocedure -- wel eens kunnen verwijten dat die ,,thuis'' is weggegaan.
Op echtgenoten rust immers de verplichting samen te wonen. Als één van de echtgenoten aan die verplichting niet voldoet, riskeert hij dat hem dat door zijn partner wordt verweten, en dat hem later de schuld voor de echtscheiding in de schoenen wordt geschoven. Als de rechtbank dat argument zou volgen (wat zeker niet altijd het geval is) heeft dat zeer belangrijke gevolgen. Want wie ,,schuldig'' wordt verklaard aan de echtscheiding, kan geen aanspraak maken op een persoonlijke onderhoudsuitkering na de echtscheiding.
Het is dus aangewezen om bij familiale problemen de echtelijke woonst niet zomaar te verlaten en op dat vlak geen risico's te nemen. Tenzij het samenwonen natuurlijk echt niet meer houdbaar zou zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als één van de echtgenoten de andere bedreigt, als die geweld tegenover de ander pleegt of dergelijke meer. Het probleem is natuurlijk dat de echtgenoot die om die reden de woonst verlaat, ingeval van een latere discussie, dat ook zal moeten bewijzen.
Een veiliger oplossing bestaat erin niet zomaar de echtelijke woonst te verlaten, maar voorafgaandelijk een procedure te beginnen voor de vrederechter en hem te vragen dat hij dringende en voorlopige maatregelen oplegt. De vrederechter kan onder andere beide echtgenoten machtigen afzonderlijk te verblijven. In dat geval kan de andere echtgenoot dat in een latere echtscheidingsprocedure natuurlijk niet meer komen verwijten. Men kan de vrederechter in dat geval ook nog vragen dat hij de andere echtgenoot verbiedt de woning te betreden.
Vaak zal er in de procedure voor de vrederechter discussie rijzen over welke echtgenoot in de echtelijke woonst mag verblijven en welke die moet verlaten. De vrederechter zal -- als de partijen niet zelf tot een akkoord komen -- de knoop doorhakken. Daarbij zal hij bijvoorbeeld nagaan of één van de echtgenoten de woning nodig heeft voor zijn beroep, of er kinderen zijn die samen met één van de ouders verder in de echtelijke woonst willen blijven wonen, of één van de echtgenoten gezondheidsproblemen heeft en moeilijker dan de andere kan verhuizen enzovoorts.
De echtgenoot die moet verhuizen, zal van diegene die blijft wonen later mogelijk wel een vergoeding voor de bewoning van de echtelijke woonst (als die de eigendom was van de echtgenoten) kunnen vragen. Dit in het kader van de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel.
Als er een akkoord is tussen de echtgenoten om apart te gaan wonen en men niet langs de vrederechter wil passeren, bestaat een ander -- iets minder veilig -- denkspoor erin, voorafgaand aan het verlaten van de woonst dat akkoord op papier te zetten. Daaruit moet dan blijken dat het idee apart te gaan wonen iets is wat uitgaat van beide echtgenoten samen. Zo'n document kan dan later ook worden gebruikt als de echtgenoot die in de woonst bleef, de schuld voor de echtscheiding tracht te leggen bij degene die de woonst verliet.
Nog dit: in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming zullen de echtgenoten moeten opgeven waar zij tijdens de echtscheidingsprocedure zullen gaan wonen. Meestal zal dat op een verschillend adres zijn. Nochtans is dat strikt gezien niet noodzakelijk. De echtgenoten zouden tijdens de zogenaamde proeftijd perfect in dezelfde woonst kunnen blijven wonen."



"Een detective erop afsturen?
Vastellingen van een detective volstaan niet voor de rechter
Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 30/01/2001

In het kader van een echtscheidingsprocedure gebeurt het wel eens dat één van de echtgenoten eraan denkt om een detective in te schakelen. Dit om zijn echtgenoot te volgen en (hopelijk) allerlei interessante vaststellingen te laten doen. Maar heeft een dergelijke vaststelling wel zin? En kan men ze in het kader van de echtscheidingsprocedure ook gebruiken?
Een detective kan bij een echtscheiding wel eens nuttige zaken achterhalen. Zo kan hij of zij er bijvoorbeeld achter komen dat de andere echtgenoot een overspelige relatie heeft (wat dan meteen een grond voor een echtscheiding op grond van fout kan zijn). Of hij zou bijvoorbeeld kunnen achterhalen dat de andere echtgenoot in het zwart werkt (wat een argument kan zijn om een lagere onderhoudsuitkering te moeten betalen), dat die zich in een bepaald milieu begeeft en dergelijke meer. Allemaal zaken die van zeer groot belang kunnen zijn in de afwikkeling van de procedure.
De detective zal zijn vaststellingen in een verslag gieten. Waarbij mogelijk zelfs foto's worden gevoegd (bijvoorbeeld van de echtgenoot in het gezelschap van diens nieuwe relatie, van de wagen van de echtgenoot geparkeerd voor de zaak waar die in het zwart werkt,...). En dat bundel maakt hij aan de echtgenoot-opdrachtgever of aan diens advocaat over. De advocaat van de echtgenoot die een beroep op de detective deed, kan dit verslag opvolgend toevoegen aan het dossier dat hij aan de rechtbank voorlegt.
Het probleem is echter dat de vaststellingen die een detective doet voor een rechter veelal niet zullen volstaan om het bewijs te leveren van bepaalde feiten, ongeacht de naam en de reputatie van de detective in kwestie. De rechter zal namelijk normaal van oordeel zijn dat de onpartijdigheid van de detective niet kan worden gegarandeerd (hij wordt namelijk betaald door de partij die op zijn diensten een beroep doet). Zodat het risico bestaat dat de detective ook op papier zet wat diegene die hem betaalt van hem vraagt.
Slechts zeer zelden zal een verslag van een detective alleen dan ook voldoende zijn om de rechtbank te overtuigen van een bepaald feit. Maar toch is het niet uitgesloten dat dit gebeurt. Als er bijvoorbeeld een discussie is over bij wie de kinderen mogen verblijven en het detectiveverslag geeft aan dat één van de ouders-echtgenoten constant van huis is, kan dat soms wel eens een belangrijk element zijn bij de beslissing van de rechter.
Betekent dit dan dat het helemaal geen zin heeft om in het kader van een echtscheidingsprocedure een detective achter de andere echtgenoot aan te sturen? Dat zou een al te voorbarige conclusie zijn. De vaststellingen van de detective kunnen een echtgenoot immers wel eens op een nuttig spoor brengen, en gegevens aanbrengen waar die helemaal geen weet van had. Het kan dus nuttig zijn om een detective op pad te sturen om te proberen van alles te ,,ontdekken''. Om het bewijs te verzamelen van al bekende zaken, heeft het inschakelen van een detective heel wat minder nut...
Als de detective allerlei zaken ,,ontdekt'' en de echtgenoot-opdrachtgever daarvan op de hoogte brengt, kan die naar andere middelen gaan zoeken om het bewijs te leveren van die feiten. Bewijzen die mogelijk wel door de rechtbank zullen worden aanvaard.
Stelt de detective bijvoorbeeld vast dat de echtgenoot naar wie hij het onderzoek deed, een nieuwe relatie heeft en heeft hij een goed zicht op wanneer het ,,nieuwe koppel'' samen verblijft, dan zou de echtgenoot-opdrachtgever aan de hand van deze informatie kunnen trachten zijn echtgenoot op overspel te laten betrappen. Dit door een gerechtsdeurwaarder, na daartoe een machtiging van de rechtbank te hebben gekregen. Of hij zou op zoek kunnen gaan naar getuigen van deze relatie (zo zou hij bijvoorbeeld de nieuwe vriend als getuige voor de rechtbank kunnen laten oproepen). Bij vaststellingen van zwartwerk zou bijvoorbeeld kunnen worden overwogen om een gerechtsdeurwaarder langs te sturen op de plaats waar het zwartwerk wordt verricht. Die gaat vaststellen dat de echtgenoot in kwestie daar wel degelijk aan het werk is. Ook hier zouden getuigen kunnen worden gezocht om het bewijs van deze feiten bij te brengen."


"'t Is maar voor een paar jaar...

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 09/01/2001

Eén van de belangrijkste strijdpunten in een echtscheidingsprocedure betreft de onderhoudsuitkering die één van de echtgenoten na de echtscheiding aan de andere moet betalen. Dat is ook begrijpelijk: het vooruitzicht aan zijn ex-partner voor talloze jaren een onderhoudsuitkering te moeten betalen, is niet echt aanlokkelijk. Rijst dan de vraag of men deze uitkering niet kan (laten) beperken in de tijd (zodat men bijvoorbeeld slechts over een periode van vijf jaar na de echtscheiding aan de andere partner een uitkering dient te betalen)?
Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming rijst er op dit vlak geen enkel probleem. De echtgenoten kunnen in de akte die in het kader van die echtscheiding wordt opgesteld, perfect overeenkomen dat de onderhoudsuitkering die de ene aan de andere betaalt wordt beperkt in de tijd. Zij hebben op dit vlak een zeer grote vrijheid. Zo kunnen zij bijvoorbeeld overeenkomen dat de ene echtgenoot aan de andere een onderhoudsuitkering betaalt van 20.000 frank per maand en dit voor een periode van drie jaar vanaf de ondertekening van de overeenkomst.
Bij een echtscheiding op grond van twee jaar feitelijke scheiding of op grond van fout zal de rechtbank beslissen over de uitkering die de ene echtgenoot na de echtscheiding desgevallend aan de andere dient te betalen. In de wet is geen regeling ingeschreven (in tegenstelling tot in een aantal andere landen), waardoor de onderhoudsuitkering die de ene echtgenoot aan zijn ex moet betalen, wordt beperkt in de tijd. Het is dus geenszins een automatisme dat die uitkering na een bepaald aantal jaren vervalt.
Niettemin kan men de rechtbank waar de procedure tot het bekomen van een onderhoudsuitkering wordt gevoerd, toch vragen zo'n beperking in te voeren. Er bestaat rechtspraak (en dit zelfs van het Belgische Hof van Cassatie) die een beperking van de onderhoudsuitkering in de tijd toelaat. Voorwaarde om zo'n beperking te krijgen is natuurlijk wel dat men die beperking aan de rechtbank vraagt (als de partijen -- en dan normaal diegene die moet betalen -- het niet vragen, zal de rechtbank het ook niet toekennen). En dat wordt in de praktijk al bij al vrij weinig gedaan. De discussie gaat integendeel meestal nagenoeg alleen over het bedrag aan alimentatie dat dient te worden betaald.
Wanneer is het dan zinvol om een beperking in de tijd te vragen? In de praktijk blijkt dat voornamelijk zo te zijn in twee situaties. Vooreerst kan men een dergelijke beperking proberen te bekomen als het huwelijk van zeer korte duur was (bijvoorbeeld een echtscheiding na een huwelijk van amper twee jaar). In dat geval kan men immers gaan argumenteren dat het niet ,,billijk'' zou zijn dat de ene echtgenoot op basis van zo'n zeer kort huwelijk levenslang een onderhoudsuitkering zou kunnen gaan opvorderen van zijn of haar ex.
Een tweede situatie waarin de beperking zou kunnen worden gevraagd, is wanneer de echtgenoot die de uitkering vraagt, in de mogelijkheid is om in de toekomst meer inkomsten te krijgen. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de hypothese dat de vrouw altijd heeft gewerkt, een diploma hoger onderwijs heeft, maar nu thuisblijft om voor de twee jonge kinderen te zorgen. Er zou in dat geval kunnen worden overwogen een tijdelijke onderhoudsuitkering voor de vrouw voor te stellen en dit bijvoorbeeld tot op het moment dat de kinderen 12 jaar geworden zijn. Of men zou -- als de inkomsten van de man, ook als de vrouw opnieuw gaat werken, nog heel wat hoger zullen zijn dan die van de vrouw -- ook kunnen vragen dat de rechtbank de uitkering na een aantal jaren gaat beperken qua bedrag (bijvoorbeeld de eerste drie jaar 50.000 frank per maand en nadien 20.000 frank per maand).
Rijst dan nog de vraag of de onderhoudsgerechtigde na het verstrijken van de door de rechtbank aan de uitkering gekoppelde tijdsduur opnieuw naar de rechter kan stappen om een uitkering te vorderen. Rechtspraak op dit vlak is ons niet bekend. Niettemin is dit ons inziens inderdaad mogelijk als de beperking in de tijd oorspronkelijk gesteund was op de toekomstige mogelijkheden om inkomsten te gaan verwerven (die dan uiteindelijk om een reden onafhankelijk van de wil van de gerechtigde niet doorgingen). Was de beperking evenwel gemotiveerd op basis van de korte duur van het huwelijk, dan is een nieuwe toekenning van een uitkering naar onze mening niet mogelijk."


"Het gevecht om de meubelen

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 19/12/2000

 Bij gezinnen met huwelijksproblemen gebeurt het wel eens dat één van de echtgenoten 's avonds thuiskomt en niet alleen zijn partner niet meer aantreft maar bovendien moet vaststellen dat de ganse woning werd leeggehaald. De buren komen dan vaak vertellen dat terwijl hij/zij op het werk was de meubels werden weggehaald door de echtgenoot en zijn/haar familie. Valt tegen zulke praktijken eigenlijk wel iets te beginnen en zo ja, wat?
De echtgenoot die met een (half)lege woonst wordt achtergelaten bevindt zich in een vrij moeilijke positie. Hij kan namelijk niet zomaar eisen dat alle meubels, schilderijen en dergelijke worden teruggebracht. En dit zelfs niet als die behoorden tot zijn eigen vermogen (bijvoorbeeld een schilderij dat hij had geërfd van een suikernonkel ). Zolang de echtgenoten niet gescheiden zijn is het immers niet van belang van wie de goederen precies zijn. En kunnen beide echtgenoten er rechten van gebruik op laten gelden.
Wie zonder meubels achterbleef en die wil terugkrijgen, zal (al dan niet via een advocaat) een procedure moeten beginnen voor de vrederechter. Hij kan vragen dat hem het persoonlijk gebruik van bepaalde goederen wordt toegekend. Om met deze vraag succes te kunnen hebben zal de echtgenoot echter moeten kunnen aantonen de goederen echt nodig te hebben, en dit bijvoorbeeld in het kader van zijn beroepsactiviteit.
Beschikte het gezin bijvoorbeeld over twee wagens en nam de vrouw deze allebei mee, dan kan de man wellicht met succes vragen dat hem één van de auto's voorlopig wordt toebedeeld (kwestie van naar het werk te kunnen geraken). U merkt dus meteen dat de echtgenoot die werd verlaten op deze manier slechts een beperkt aantal goederen zal kunnen terugvragen. En dat diegene die het recht in eigen handen nam er meestal vrij goed van af komt. Deze laatste dient er wel rekening mee te houden dat de andere het meenemen van de meubels als een echtscheidingsgrond zou kunnen proberen aan te halen en dat, hoewel diefstal tussen echtgenoten niet strafbaar is, de derden (met uitzondering van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn) die bij 'de verhuis' hebben geholpen, wel strafbaar zijn.
Dit alles betekent nog niet dat de echtgenoot die het huis verliet de goederen die hij daarbij meenam ook definitief krijgt. Na de echtscheiding zal namelijk overgegaan moeten worden tot de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. En daarbij kan elke echtgenoot de afgifte vragen van de goederen die in zijn eigen vermogen zitten. De goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijke vermogen zullen tussen de echtgenoten worden verdeeld.
Om de goederen in de vereffening te kunnen betrekken moet men natuurlijk kunnen bewijzen dat ze wel degelijk bestonden. En daar durft het schoentje wel eens knellen. Want als één van de echtgenoten het goed meenam en later het bestaan daarvan ontkent of dat goed inmiddels verkocht, kan dat bewijs wel eens zeer moeilijk zijn. Vandaar dat het aangewezen is op dat vlak voorzorgen te nemen.
Een eerste voorzorgsmaatregel is er voor te zorgen te beschikken over een inventaris. En die kan bijvoorbeeld worden opgemaakt tussen de echtgenoten onderling (op een moment dat het nog goed gaat). Een andere mogelijkheid is om als er vermoedens zijn dat de andere echtgenoot de echtelijke woning zal verlaten, aan de vrederechter te vragen een inventaris te laten opstellen. U kan ook eenzijdig aan een deurwaarder vragen een inventaris op te stellen. Een andere mogelijkheid bestaat erin aan de vrederechter te vragen de andere echtgenoot het verbod op te leggen bepaalde goederen te verplaatsen of te vervreemden.
Een volgende (helaas minder sterke) voorzorgsmaatregel is foto's te nemen van de inrichting van de woning, serienummers van elektrische apparaten te noteren alsmede zoveel mogelijk aankoopfacturen bij te houden. Ook deze gegevens kunnen namelijk als een element van bewijs van het bestaan van bepaalde goederen naar voren worden gebracht."



"Als ouders ruzie maken over de kinderen

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 28/11/2000

Eén van de belangrijkste discussiepunten in heel wat echtscheidingsprocedures betreft de vraag wie de kinderen ,,krijgt''. In de volksmond wordt daarbij wel eens gegoocheld met begrippen zoals co-ouderschap, hoede- en bezoekrecht. Waarbij slechts weinigen weten wat die termen precies inhouden en dat een aantal ervan achterhaald zijn sinds de wetgeving enkele jaren geleden grondig werd gewijzigd.
Als twee ouders niet samenwonen (ze zijn bijvoorbeeld in een echtscheidingsprocedure verwikkeld of al uit de echt gescheiden, of het gaat om ongehuwde ouders die uit elkaar gingen), dan oefenen zij het gezag over hun minderjarige kinderen in beginsel gezamenlijk uit. En dit net als in de hypothese dat ze wel zouden samenwonen. Dit is wat men noemt ,,co-ouderschap''. Dat zegt echter niets over de vraag bij welke ouder het kind zal verblijven en is geen synoniem van een afwisselend verblijf bij de ene en de andere ouder.
Als de ouders niet samenleven en het systeem van co-ouderschap van toepassing is, dan moeten de ouders nog beslissen waar het kind zal verblijven. Hier beschikt men over talloze mogelijkheden. Zo kunnen de echtgenoten bijvoorbeeld een echt bilocatie-systeem afspreken (het kind blijft bijvoorbeeld een week bij de ene en dan een week bij de andere). Men kan ook eerder naar een klassieke verblijfsregeling gaan (bijvoorbeeld een weekend op twee en de helft van de vakanties bij de ene ouder en de rest van de tijd bij de andere). Maar ook tal van andere oplossingen zijn mogelijk (bijvoorbeeld drie dagen bij de ene en opvolgend vier bij de andere).
Bij een systeem van co-ouderschap is het in de praktijk natuurlijk zo goed als onmogelijk te eisen dat beide ouders steeds samen optreden voor de minderjarige. Men kan toch moeilijk verwachten dat beiden altijd samen naar buiten treden als er iets moet worden geregeld voor het kind. Vandaar dat het tegenover derden die te goeder trouw zijn volstaat dat één ouder optreedt. De derde mag er dan van uitgaan dat de ene ouder optreedt met instemming van de andere ouder. Blijkt de andere ouder het uiteindelijk met die handeling niet eens te zijn, dan kan hij nog altijd naar de rechtbank stappen.
Een regeling van co-ouderschap is echter niet altijd mogelijk. Omdat het goed zou kunnen werken moet er tussen de ouders nog voldoende eensgezindheid zijn over de opvoeding van het kind. En dient er nog voldoende communicatie mogelijk te zijn. En dat is bij echtelijke moeilijkheden allesbehalve evident. Ziet men een systeem van co-ouderschap niet zitten, dan kan men aan de rechtbank vragen om een afwijkend systeem op te leggen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Die beslist dan in het belang van het kind. Of men kan in de akte van echtscheiding door onderlinge toestemming een afwijkend systeem opnemen.
Zijn er al echtelijke moeilijkheden, maar is er nog geen echtscheidingsprocedure, dan is meestal de vrederechter bevoegd. Tijdens een echtscheidingsprocedure kunnen voorlopige maatregelen worden bevolen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. En die regeling blijft verder gelden na de echtscheiding. Wil men na de echtscheidingsprocedure naar de rechtbank stappen, dan dient men veelal bij de jeugdrechtbank te zijn.
Hierbij kan één van de ouders (of kunnen beiden) dan bijvoorbeeld vragen dat de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag aan hem (of haar) wordt toevertrouwd. En dat de andere ouder een omgangsrecht krijgt. Ten onrechte gebruikt men hiervoor trouwens nog wel eens de verouderde termen hoede- en bezoekrecht.
Maar de rechtbank zou ook een ,,tussensysteem'' kunnen opleggen. Waarbij bijvoorbeeld wordt bepaald dat één van de ouders de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag toevertrouwd krijgt, behalve voor een aantal belangrijke beslissingen over het kind, waar beide ouders hun akkoord nog moeten mee geven. De ouder aan wie de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag niet wordt toevertrouwd, behoudt wel een recht van toezicht, en kan steeds naar de jeugdrechtbank stappen om de beslissingen van de andere ouder aan te vechten."

"Als uw ex een nieuwe vriend heeft...

Artikel verschenen in De Standaar van auteur Jan Roodhooft dd. 17/10/2000

U bent uit de echt gescheiden en betaalt een onderhoudsuitkering aan uw ex-echtgenote. Via uw kinderen verneemt u nu dat uw echtgenote een nieuwe vriend heeft. Moet u in dat geval nog verder voor haar blijven betalen? Of kunt u zonder meer stoppen met het betalen van alimentatie?
Het is onmogelijk op deze vraag een vast geldend antwoord te geven. Alles hangt af van de echtscheidingsvorm waarvoor u destijds koos. Scheidde u uit de echt door onderlinge toestemming, dan liggen de zaken anders dan bij een echtscheiding op grond van fout of op grond van twee jaar feitelijke scheiding.
Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming hebt u een zogenaamde familierechtelijke overeenkomst afgesloten. Daarin is bepaald of u aan uw echtgenote een onderhoudsgeld moet betalen, en zo ja, hoeveel deze uitkering bedraagt. Bovendien bevat de echtscheidingsovereenkomst een overzicht van de gevallen waarin de onderhoudsuitkering kan worden aangepast of zelfs worden afgeschaft. Wil u weten of uw alimentatieverplichting vervalt bij een nieuw huwelijk of het gaan samenwonen van uw ex, dan is het dus zaak er de echtscheidingsovereenkomst op dat vlak op na te slaan.
Wordt er in deze overeenkomst bepaald dat de uitkering vervalt als uw echtgenote opnieuw in het huwelijk treedt, maar is er niets geregeld als ze gaat samenwonen met een vriend, dan hebt u pech. In dat geval vervalt de uitkering niet. De bewoordingen van de overeenkomst moeten namelijk strikt worden geïnterpreteerd.
Opdat de uitkering zou vervallen als uw ex een nieuwe vriend heeft, moet dat expliciet zo verwoord zijn in de overeenkomst. Is dat het geval, dan is het nog maar de vraag wat er dient te gebeuren als de nieuwe relatie van uw ex opnieuw afspringt. Kwam u overeen dat de uitkering vervalt bij het gaan samenwonen van uw ex, dan herleeft dit recht niet als de relatie later weer afspringt.
Bij een echtscheiding op grond van fout liggen de zaken anders. Normaal is er dan geen overeenkomst waarin het antwoord te lezen staat. De uitkering kan in dat geval worden gewijzigd als de financiële toestand van uw ex-echtgenote door de nieuwe samenleving ingrijpend verandert. Vaak is dat het geval, al was het maar omdat dan bepaalde kosten worden gedeeld (bijvoorbeeld huur van de woning, gas, elektriciteit, ...). Zorgt de nieuwe partner ook voor de kostwinning, dan is dat een bijkomend element dat een positieve invloed zal hebben op de financiële toestand van uw ex-echtgenote.
Een vermindering van de uitkering (en uitzonderlijk zelfs een afschaffing) behoort dus tot de mogelijkheden. Een automatische afschaffing zal er niet zijn. Dat is wel zo als uw ex opnieuw in het huwelijk treedt. In dat geval zijn er namelijk heel wat rechters die aannemen dat de onderhoudsuitkering wel wordt afgeschaft. Anderen menen dat ook hier de uitkering alleen kan worden verminderd als de financiële toestand van uw ex door het huwelijk verbetert.
Wil u een wijziging van de uitkering bekomen, dan moet u hiervoor naar de vrederechter stappen. Tenzij uw ex natuurlijk akkoord zou gaan met het stopzetten van de alimentatie en zij bereid is dat ook op papier te zetten. Voor de vrederechter kunt u dan de vermindering of de afschaffing van de alimentatie met terugwerkende kracht vragen, en dit tot het moment van het huwelijk of de samenleving. Beweert u dat uw ex ging samenwonen, dan moet u dat ook nog kunnen bewijzen. En daar durft het schoentje wel eens te wringen. Want als uw ex dat in alle toonaarden ontkent...
Bij een echtscheiding op grond van twee jaar feitelijke scheiding zijn de zaken in grote lijnen gelijklopend met die bij een echtscheiding op grond van fout. Strikt genomen verschillen de wettelijke regels over de mogelijkheid om alimentatie te wijzigen. Ook hier kan de uitkering alleen worden verminderd of zelfs afgeschaft als de financiële toestand van uw ex door haar nieuwe relatie verbetert. Om een wijziging van de onderhoudsuitkering te vragen -- tegen de zin in van uw ex -- moet u bij de vrederechter langsgaan."


"Bij oma en opa op bezoek

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 04/04/2000
In de meeste families gaan kleinkinderen spontaan op bezoek bij hun grootouders, in de weekends, op feestdagen of zelfs door de week. Sommige grootouders vangen de kinderen op na schooltijd of tijdens de vakanties. Dan is er voldoende contact tussen de grootouders en hun kleinkinderen. Bij familieruzies, als één ouder al overleden is of in gezinnen waar de ouders uit de echt gescheiden zijn, durft het echter wel eens anders te lopen en riskeren grootouders hun kleinkinderen niet (voldoende) te zien te krijgen.
Het gebeurt dan ook wel eens dat grootouders een advocaat in de arm nemen en voor de jeugdrechtbank een procedure starten om een omgangsrecht te krijgen tegenover hun kleinkinderen. Maar heeft zo'n procedure wel enige kans op slagen en wat zijn de precieze rechten van de grootouders tegenover hun kleinkinderen?
Grootouders hebben in principe een omgangsrecht tegenover hun kleinkinderen, wat sinds enkele jaren ook in de wet wordt erkend. Voor zover de kleinkinderen tenminste nog minderjarig zijn.
Vanaf 18 jaar kan men een kleinkind dus alleszins niet meer verplichten om bij oma of opa op bezoek te gaan. Is het kleinkind een jaar of twaalf of ouder en wil het echt niet meer naar zijn grootouders, dan zal het ook moeilijk liggen voor de grootouders een omgangsrecht te krijgen. En als ze dit al hebben, om het effectief te gaan uitvoeren.
Het recht van de grootouders is echter niet absoluut. Als dat in het belang is van het kind, kan men de grootouders de omgang met hun kleinkind ontzeggen. Dit is bv. het geval als zij hun kleinkind zouden mishandelen, als ze jarenlang geen enkele belangstelling voor het kleinkind toonden, als er sprake is van incest enz. Deze gevallen zijn trouwens vrij evident.
Maar ook als de grootouders hun omgangsrecht misbruiken om de verstandhouding tussen ouders en kind te bemoeilijken (ze zetten het kind bv. op tegen de ouders met wie ze ruzie hebben), kan hun het omgangsrecht worden ontzegd.
Indien de rechtbank een omgangsrecht toekent, is het nog maar de vraag op hoeveel dagen per maand de grootouders aanspraak kunnen maken. Het principe dat hier geldt, is dat grootouders alleszins op heel wat minder dagen aanspraak kunnen maken dan bv. een vader of moeder die uit de echt gescheiden is. Zo wordt geregeld een bezoek van 1 á 2 dagen per maand toegestaan. In uitzonderlijke gevallen kan een meer uitgebreid of soms zelfs een beperkter omgangsrecht worden toegestaan.
Een voorbeeld van een geval waarin het omgangsrecht ruimer kan zijn, is dit waarin één van de ouders al is overleden en de ouders van de overledene, die steeds een goede band hadden met het kleinkind, voor de rechtbank een omgangsrecht vragen. Er moet verder rekening mee worden gehouden dat het recht van de grootouders subsidiair is tegenover dat van de ouders. Wat meteen betekent dat als de ouders van het kleinkind zelf gescheiden leven, de grootouders met minder vrede zullen moeten nemen. Zij zullen dan hun omgangsrecht moeten uitoefenen op de momenten dat het kleinkind bij hun zoon of dochter verblijft.
En wat als de ouders een gerechtelijke beslissing waarin een omgangsrecht wordt toegekend aan de grootouders, naast zich neerleggen? In de eerste plaats zouden de grootouders dan een gerechtsdeurwaarder kunnen inschakelen, die zich desnoods laat bijstaan door de openbare macht om het kind manu militari te gaan halen. In de praktijk gebeurt dit echter niet zo vaak. Zeker als het gaat om een kind van een jaar of twaalf of ouder, is de gedwongen uitvoering zo goed als onmogelijk. Maar strikt gezien zou het wel kunnen.
Een andere optie bestaat erin dat de grootouders aan de rechtbank vragen een dwangsom te koppelen aan de veroordeling. Zodat de ouders die de uitspraak niet naleven, hiervoor een financiële sanctie krijgen en een bepaalde som per inbreuk dienen te betalen.
Strikt gezien zouden de grootouders die hun rechten niet kunnen uitoefenen, ook een morele schadevergoeding van de rechtbank kunnen vorderen. Het bedrag van de vergoedingen die hier worden toegekend, is evenwel zo laag dat het nog maar de vraag is of het sop uiteindelijk de kool waard is. Ten slotte riskeert de ouder die het kind in weerwil van een rechterlijke beslissing weigert mee te geven, in principe strafsancties."




"Met twee beslissen?

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 19/09/2000

U woont samen met uw echtgenote in een woning die u erfde van uw ouders of die u voor uw huwelijk al aankocht. Nu een kandidaat-koper een financieel aantrekkelijk bod deed, wil u de woonst in kwestie graag verkopen. Maar uw echtgenote is het daarmee niet eens. Zij verhuist liever niet. Geen probleem, zal u nu denken. De woning maakt deel uit van mijn eigen vermogen, dus ik beslis uiteindelijk; met of zonder goedvinden van mijn echtgenote. Helaas is dat niet zo. Zelfs al maakt de woning deel uit van uw eigen vermogen, u zal nog de instemming van uw echtgenote met de verkoop moeten bekomen.
Als een echtpaar een woning of appartement wil verkopen, moeten meestal beide echtelieden akkoord gaan. Dat is alleszins zo als ze gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel (scheiding van goederen en gemeenschap van aanwinsten) of een stelsel van gemeenschap van goederen en het onroerend goed in kwestie in het gemeenschappelijk vermogen zit.
Maar ook als de woonst in het eigen vermogen valt van één van de echtgenoten, is soms de instemming van diens partner nodig om het pand te kunnen verkopen. Meer bepaald is dit het geval als de woning de zogenaamde ,,gezinswoning'' is. In de praktijk kan het dan bijvoorbeeld gaan om een woning die één van de echtgenoten al aankocht voor het huwelijk, die deze erfde of om gevallen waarin de echtgenoten gehuwd zijn met een stelsel van scheiding van goederen en de woning op naam van een van beiden staat.
Niet elke woning kan als een gezinswoning worden beschouwd. Daarvoor moet het vooreerst gaan om een effectief bewoonde woning. Een leegstaand pand waar de echtgenoten pro forma zijn ingeschreven in het bevolkingsregister of een woning in opbouw volstaan dus niet. Bovendien moet de woning bewoond worden door minstens één van de echtgenoten en wordt slechts één woning per gezin beschermd, namelijk de voornaamste. Hebt u bijvoorbeeld zowel een huis in Brussel (waar u in de week woont), als een appartement aan zee (waar u in de weekends verblijft), dan kan alleen de woning in Brussel als de gezinswoning worden aangezien. Verhuurt u een huis en bewoont u het niet zelf, dan kan dat evenmin als de gezinswoning worden beschouwd.
Wil u een woning verkopen die als gezinswoning dienst doet, dan moet uw partner zijn/haar instemming geven. Zelfs al maakt de woonst deel uit van uw eigen vermogen. Meer nog, u mag zonder die instemming de woning zelfs niet eens hypothekeren (bijvoorbeeld als waarborg voor een lening bij de bank) of gewoon maar verhuren. Weigert de partner toestemming te geven, dan hebt u wel een verhaalmogelijkheid. Meer bepaald kan u dan naar de rechtbank stappen. En die zal nagaan of uw echtgenoot/echtgenote gewichtige redenen had om die instemming te weigeren. De rechtbank zal daarbij afwegen of de huisvesting van uw gezin door de voorgenomen handeling niet in het gedrang wordt gebracht. En in principe zal dit belang primeren boven uw eigen financiële belangen.
Overigens wordt de gezinswoning bij dit alles in haar geheel beschermd. Dit betekent dat het niet alleen gaat om de woonst op zich, maar ook om de garage, de tuin, eventuele bijgebouwen en dergelijke meer. Een man kan dus bijvoorbeeld niet zomaar (zonder instemming van zijn echtgenote) een gedeelte van de tuin verkopen aan een buur die zijn eigen tuin wil uitbreiden. Sterker nog, ook de huisraad die zich in de gezinswoning bevindt geniet eenzelfde bescherming. Behoort die tot het eigen vermogen van de man (bijvoorbeeld een salon die hij enkele jaren voor het huwelijk kreeg van zijn ouders) dan kan hij die evenmin verkopen zonder de instemming van zijn echtgenote.
Als deze regels niet worden nageleefd, kan de handeling worden nietig verklaard op verzoek van de echtgenoot/echtgenote. Die kan zelfs bijkomend een schadevergoeding vorderen. Nog dit: een eventuele vordering tot nietigverklaring dient wel te worden ingesteld binnen het jaar nadat de ontevreden partner kennis kreeg van de handeling in kwestie."















terug naar de home page

notariskantoor Van Damme
Residentie "Groenhove"
Gistelse Steenweg 138 bus F/1

8200 Brugge (Sint-Andries) België
Tel. +32 50 38.11.11 en +32 50 40.40.40
Fax +32 50 38.57.77 en + 32 50 40.40.20
E-mail: vandamme@notare.be URL: http://www.notare.be
Laatst bijgewerkt op 20 augustus 2001