Echtscheiding en belastingen
Hierbij veronderstelt men in principe een fout
van één der echtgenoten.
In deze procedure stelt de echtgenoot die de echtscheiding wil
bekomen, via zijn advocaat een rechtsvordering in opdat de
echtscheiding in het "nadeel" van de schuldige echtgenoot zou worden
uitgesproken.
De rechtbank stelt vast dat de echtgenoten minstens twee jaar gescheiden leven en spreekt de echtscheiding uit ten nadele van de echtgenoot die de echtscheiding heeft gevraagd.
Zonder elkaar de schuld te geven kunnen echtgenoten een einde
stellen aan hun huwelijk en vooraf zelf een regeling uitwerken voor
de materiële en familiale problemen.
Hierbij kan de notaris de rol van bemiddelaar vervullen.
Indien zich ernstige problemen voordoen onderhandelt de notaris, al
dan niet in overleg met de eventuele advocaten van beide partijen, om
de verschillende standpunten met elkaar te verzoenen en een klare en
precieze overeenkomst op te stellen.
om een echtscheiding door onderlinge toestemming in te leiden zijn:
De echtgenoten zijn niet verplicht een
boedelbeschrijving op te maken.
Wensen zij dit wel, dan moet een notariële akte opgesteld en met
eed bekrachtigd worden.
De boedelbeschrijving heeft tot doel de omvang van de
huwelijksgemeenschap of de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten
bestaat, vast te stellen.
Eigen goederen of schulden moeten niet worden
geïnventariseerd.
De schulden van beide echtgenoten en de eventuele vergoedingen worden
wel opgegeven.
Deze opgave moet volledig en naar waarheid gebeuren.
Alhoewel niet strikt vereist, is de inventaris toch zeer bruikbaar om
een volledige en sluitende overeenkomst op te stellen.
Wanneer de echtgenoten reeds geruime tijd een afzonderlijke woning
betrekken, ligt het minder voor de hand nog een inventaris op te
stellen.
In alle andere gevallen mag de overeenkomst onderhands worden
opgemaakt.
Toch geniet de notariële akte de voorkeur omwille van de
voordelen verbonden aan elke authentieke akte, namelijk de juridische
uitvoerbaarheid ervan.
De regeling en verdeling moeten niet noodzakelijk overeenstemmen
met deze die in het huwelijkscontract werden vastgesteld.
Zo kan een persoonlijk onroerend goed van de man overgaan naar de
vrouw (evenwel mits betaling van 12,5% registratierechten).
Ook kan één echtgenoot een groter deel krijgen dan de
andere.
De enige vereiste is dat de regeling door beide partijen wordt
aanvaard.
De vordering tot echtscheiding wordt ingeleid met een
verzoekschrift dat wordt ondertekend door beide echtgenoten of door
een notaris of een advocaat.
De echtgenoten kiezen zelf de rechtbank waarvoor zij willen
verschijnen.
Hun woonplaats speelt bij deze keuze geen rol.
Binnen de maand na neerlegging van het
verzoekschrift volgt de eerste verschijning voor de voorzitter van de
rechtbank van eerste aanleg.
De tweede en tevens laatste verschijning heeft plaats in de loop van
de vierde maand die volgt op de datum van het
proces-verbaal van de eerste verschijning.
Is de rechtbank van oordeel dat de echtgenoten aan alle voorwaarden
en formaliteiten hebben voldaan, dan wordt de echtscheiding
uitgesproken en zijn ze uit de echt gescheiden, onder voorbehoud van
hoger beroep en voorziening in cassatie.
Normaliter verschijnen de echtgenoten "samen en in persoon" voor
de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
In uitzonderlijke omstandigheden (bv. woonplaats of beroepsmatig
verblijf in het buitenland, ernstige ziekte of ongeval), kunnen zij
zich laten vertegenwoordigen door een notaris of advocaat.
Hiertoe wordt een afzonderlijk verzoekschrift gericht aan de
voorzitter van de rechtbank.
De nodige bewijs- en overtuigingsstukken worden eraan toegevoegd.
Het openbaar ministerie controleert de wettelijke vereisten van de
echtscheiding en zal zich ook uitspreken over de inhoud van de
overeenkomsten.
Zowel de legaliteit als de opportuniteit van de getroffen regelingen
worden beoordeeld.
Het kind krijgt hierbij bijzondere aandacht; de rechter en het
openbaar ministerie laten zich uitsluitend leiden door het belang van
het kind.
Overeenkomstig met de Universele Conventie over de Rechten van het
Kind (UCRK) en op verzoek van de rechter moeten de kinderen, die in
staat zijn een eigen mening te uiten (een minimumleeftijd is niet
voorzien), gehoord worden.
De rechter kan voorstellen de overeenkomsten over de kinderen te
schrappen of te wijzigen.
In dit geval dienen de echtgenoten aanvullende overeenkomsten op te
stellen, die voor de laatste verschijning op de griffie van de
rechtbank worden neergelegd.
Gaan de echtgenoten niet op het verzoek in, dan kan dit tot de
afwijzing van de echtscheiding leiden.
3.5 Co-ouderschap
Deze wijzigingen kunnen slaan op de overeenkomsten:
Indien fundamentele wijzigingen worden aangebracht, moet de procedure volledig hernomen worden.
De rechtbank spreekt de echtscheiding door onderlinge toestemming
uit.
Daardoor is het huwelijk ontbonden.
Spreekt de rechtbank de echtscheiding uit, dan kan het openbaar
ministerie of één van beide echtgenoten nog hoger
beroep instellen.
De termijn om in hoger beroep te gaan bedraagt
één maand.
De termijn voor voorziening in cassatie bedraagt drie
maanden.
De griffier van de rechtbank zorgt ervoor dat het beschikkend gedeelte van het vonnis of arrest overgeschreven wordt in de registers van de burgerlijke stand binnen de maand na ontvangst van het uittreksel van het vonnis.
Het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken,
heeft ten aanzien van derden eerst uitwerking vanaf de dag dat het is
overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand, het is dan
tegenstelbaar aan iedereen.
T.a.v. de echtgenoten zelf maken wij een onderscheid tussen:
Echtscheiding en belastingen
artikel verschenen in De Standaard van auteur
Luc Vanheeswijck
26/10/2000
"Fiscale afrekening na
echtscheiding
Wanneer een gehuwd paar
uit mekaar gaat, worden zij apart belast vanaf het jaar dat volgt op dat waarin
de feitelijke scheiding tot stand kwam. Soms worden zij nog jaren na hun
echtscheiding vervolgd voor fiscale schulden die hun ex-partner heeft gemaakt in
de periode dat ze nog gehuwd waren. De rechtspraak van de rechtbanken en hoven
van beroep leek meer en meer te gaan in de richting dat de ene partner niet meer
kon worden aangesproken voor belastingschulden van de andere, wanneer die
aanslagen pas na de echtscheiding werden gevestigd. Het Hof van Cassatie zet dit
echter weer op de helling.
Gehuwden die uit mekaar gaan, worden vanaf het daaropvolgende inkomstenjaar
fiscaal beschouwd als alleenstaanden. Dat houdt in dat zij aparte aangiften doen
en afzonderlijk belast worden. Vanaf aanslagjaar 2000 worden die afzonderlijke
aanslagen desalniettemin gevestigd op naam van beide partners. Vroeger gebeurde
dat niet en werd een aanslag ingekohierd op naam van ieder van hen.
Het feit dat ze apart belast werden, belette evenwel niet dat beide echtgenoten
aansprakelijk bleven voor de betaling van elkaars belastingschuld en dit zolang
ze getrouwd bleven. Het was dus perfect mogelijk dat een vrouw plots
geconfronteerd werd met een fiscale schuld van haar man van wie ze al tien jaar
niets meer gehoord had. Door het enkele feit dat zij nog steeds met hem getrouwd
was, kon zij, behalve in enkele uitzonderingsgevallen, ertoe worden verplicht
zijn belastingen te betalen.
Sommige belastingbetalers werden zelfs jaren na hun echtscheiding nog lastig
gevallen voor belastingschulden van hun vroegere partner. Een aantal van hen
trok naar de beslagrechter en, daarna, naar de hoven van beroep om aan deze
invordering te ontsnappen.
Recentelijk leek er zich een tendens af te tekenen waarbij de betrokkenen konden
rekenen op enig begrip van de rechtscolleges. Zo oordeelden het hof van beroep
van Gent en het hof van beroep van Antwerpen reeds dat de aansprakelijkheid voor
de fiscale schulden van de echtgenoot niet geldt wanneer de aanslagen werden
gevestigd nadat de echtscheiding definitief is geworden, zelfs indien die
aanslagen betrekking hebben op een periode voorafgaand aan de echtscheiding (zie
o.m. T.F.R., september 2000, p. 741 e.v.).
Het Hof van Cassatie is echter een andere mening toegedaan (Cass., 15
september 2000, Fiscoloog, nr. 771, p. 11) . Volgens het Hof speelt het geen
rol dat de aanslag werd gevestigd na de datum van de echtscheiding. Wanneer de
belasting betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de ontbinding van het
huwelijk, zijn beide echtgenoten aansprakelijk voor de betaling ervan. De
belastingschuld ontstaat niet door de vestiging van de aanslag. Zij ontstaat uit
hoofde van de fiscale wet.
Hiermee lijkt het laatste woord echter nog niet gesproken. Op 2 mei 2000 heeft
het hof van beroep van Gent immers de invordering na de echtscheiding afgewezen
op grond van een andere redenering. Het Hof beschouwt het artikel dat de
invordering bij de andere echtgenoot toelaat, met name art. 394 W.I.B./92, als
een bijzondere toepassing van artikel 393. Artikel 393 regelt de invordering van
aanslagen die op naam van meerdere personen zijn gevestigd. Die aanslagen kunnen
maar van de betrokkenen worden gevorderd in verhouding tot hun aandeel.
Voor echtgenoten speelt hier een uitzondering: aanslagen op naam van de
echtgenoten kunnen in de regel voor hun geheel bij elk van beide worden
gevorderd. Dat is echter slechts mogelijk, aldus het hof, indien de
basisvoorwaarde ook vervuld is, met name wanneer de aanslag op naam van beide
echtgenoten is ingekohierd. Omdat dat na een feitelijke scheiding niet meer het
geval is, is het kohier op naam van de ene partner niet zomaar uitvoerbaar tegen
de andere.
Wordt ongetwijfeld nog vervolgd."
5 Inwerkingtreding
De wet is integraal van toepassing op alle procedures van
echtscheiding door onderlinge toestemming waarvoor het verzoekschrift
is neergelegd na 30 september 1994.
6. Interessante artikelen
| "Als uw ex niet betaalt" | Het gebeurt geregeld dat (gewezen) echtgenoten die werden veroordeeld tot het betalen van een onderhoudsuitkering aan vrouw en kinderen, die verplichting niet naleven. Ze betalen de alimentatie die ze verschuldigd zijn maar deels (of zelfs helemaal niet). Wat kan men eigenlijk beginnen tegen zo'n onwillige onderhoudsplichtige? |
| "Over verwijten, dronkenschap en andere beledigingen" | Als u uit de echt wil scheiden, dan kan dat door onderlinge toestemming, op grond van twee jaar feitelijke scheiding en ook op grond van een fout van uw echtgenoot. De fouten die daarbij, volgens de wet, in aanmerking kunnen worden genomen zijn overspel (hierover hebben we het vroeger al ruimschoots gehad), gewelddaden of mishandelingen (deze bewoordingen spreken voor zich) alsook grove beledigingen. Maar wat valt er nu precies onder die noemer van de ,,grove beledigingen''? |
| "Als de alimentatie niet meer volstaat" | Bij een echtscheiding
door onderlinge toestemming moeten de echtgenoten die uit de echt willen
scheiden, onder meer afspraken maken over de bijdrage die zij elk zullen
leveren in het levensonderhoud van hun kinderen. Veelal wordt dan
afgesproken dat één van hen aan de andere een maandelijks bedrag aan
alimentatie betaalt voor de kinderen. Het gebeurt zeer vaak dat één van de (dan intussen ex-)echtgenoten een paar jaar later die afspraak opnieuw ter discussie wil stellen. En dit bijvoorbeeld omdat het afgesproken bedrag zogenaamd te laag zou zijn geworden, nu de kinderen ouder zijn geworden en naar een andere school gaan. Of omdat diegene die de uitkering betaalt, intussen een andere (beter betaalde) job heeft. Maar kan men eigenlijk wel terugkomen op zo'n afspraak? |
| "Uit elkaar en toch nog erven" | Als iemand overlijdt wordt zijn of haar nalatenschap verdeeld onder de erfgenamen. Eén van die erfgenamen is vaak de echtgenoot of echtgenote van de overledene. Zolang alles goed gaat tussen beiden is dat ook niet meer dan normaal. Maar wat als er een (serieus) haar in de boter zat op het moment van het overlijden van één van hen? Kan ook dan de overlevende echtgenoot aanspraak maken op een gedeelte van de nalatenschap van de overledene? Geldt dit erfrecht met andere woorden ook nog als er echtelijke moeilijkheden zijn en de echtgenoten bijvoorbeeld al een tijd niet meer samenwonen? |
| "Samen uit, samen thuis" | Als een echtpaar echtelijke moeilijkheden heeft, zullen de echtgenoten vaak
apart willen gaan wonen. En dit al dan niet tijdelijk -- ze lassen een periode
van bezinning in -- dan wel definitief -- waarbij de feitelijke scheiding veelal
zal uitmonden in een echtscheiding. Vaak blijft één van hen dan in de vroegere
echtelijke woonst wonen, terwijl de andere een huis, appartement of studio huurt
of bij familie zijn intrek neemt of iets dergelijks. Bij dit alles vergeet men wel eens dat het zomaar verlaten van de echtelijke woonst niet zonder gevaren is. Want de echtgenoot die in de echtelijke woonst blijft, zou de andere later -- bijvoorbeeld in het kader van een eventuele echtscheidingsprocedure -- wel eens kunnen verwijten dat die ,,thuis'' is weggegaan. |
"Als uw ex niet betaalt
artikel van Jan Roodhooft
verschenen in De Standaard van 17/07/2001
Het gebeurt geregeld dat (gewezen) echtgenoten die werden veroordeeld tot het
betalen van een onderhoudsuitkering aan vrouw en kinderen, die verplichting niet
naleven. Ze betalen de alimentatie die ze verschuldigd zijn maar deels (of zelfs
helemaal niet). Wat kan men eigenlijk beginnen tegen zo'n onwillige
onderhoudsplichtige?
In eerste instantie kan men trachten beslag te leggen op de goederen en
inkomsten van de onderhoudsplichtige. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
aan gelden en waarden die op de bankrekening, het spaarboekje of de
effectenrekening van de onderhoudsplichtige staan, aan diens roerende goederen
(wagen, meubelen...), eventuele onroerende goederen en dergelijke meer. Beslag
kan eveneens gelegd worden op het loon dat de onderhoudsplichtige ontvangt. In
dit geval zijn veelal geen beperkingen op het bedrag waaronder geen beslag kan
worden gelegd.
Vooraleer beslag wordt gelegd, dient natuurlijk meer informatie te worden
ingewonnen over de vermogenstoestand van de schuldenaar van de
onderhoudsuitkering. Er dient bijvoorbeeld te worden achterhaald of die wel
onroerende goederen heeft, waar hij werkt, met welk soort wagen hij rijdt en
dergelijke meer. Pas nadat men deze informatie heeft, kan worden beslist op
welke vermogensbestanddelen men beslag zal leggen. Voor het inwinnen van die
informatie kan men een beroep doen op een gerechtsdeurwaarder. Blijkt dat de
onderhoudsplichtige geen vermogen heeft en dat hij ook geen inkomsten heeft, dan
zal een beslag wellicht niets uithalen.
Een ander denkspoor bestaat erin strafklacht neer te leggen tegen de
onderhoudsplichtige die niet betaalt. Want die kan zich schuldig maken aan het
misdrijf van familieverlating. Om hiervoor te kunnen worden veroordeeld, is
vooreerst vereist dat in hoofde van de onderhoudsplichtige een wettelijk
beschermde onderhoudsplicht bestaat. Bovendien moet een rechterlijke beslissing
voorliggen die deze onderhoudsplicht bevestigt en waartegen geen verzet of hoger
beroep meer openstaat. Een derde voorwaarde opdat het misdrijf van
familieverlating zou voorliggen is dat de onderhoudsplichtige gedurende een
termijn van meer dan twee maanden de rechterlijke beslissing waarbij hij
veroordeeld werd een uitkering tot onderhoud te betalen, niet naleeft. Bovendien
is vereist dat de onderhoudsplichtige de onderhoudsverplichting vrijwillig niet
uitvoert. Is de onderhoudsplichtige bijvoorbeeld door ziekte of een zwakke
gezondheid in de onmogelijkheid om een winstgevend beroep uit te oefenen, dan
ligt er geen vrijwillige inbreuk op de onderhoudsverplichting, en dus geen
strafrechtelijk feit voor.
Familieverlating is strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes
maanden en een geldboete van 50 tot 500 frank (deze bedragen moeten worden
vermenigvuldigd met 200). Bij een tweede veroordeling op deze grond binnen de
vijf jaar na de eerste, kunnen deze straffen zelfs worden verdubbeld. In de
praktijk stelt men trouwens vast dat het geregeld gebeurt dat
onderhoudsplichtigen die hun verplichting niet nakomen ook een effectieve
gevangenisstraf krijgen...
Of dit voor de onderhoudsgerechtigde ook een goede zaak is, is een andere
kwestie. Want als de onwillige onderhoudsplichtige achter de tralies belandt,
zal hij daardoor wellicht nog minder inkomsten krijgen. En wordt de kans alleen
maar kleiner dat de onderhoudsgerechtigde uiteindelijk ook aan zijn centen zal
geraken.
De onderhoudsgerechtigde zou ook aan de rechtbank een sommendelegatie kunnen
vragen. Dit houdt in dat hij zich laat machtigen door de rechter om zich
rechtstreeks te laten betalen door de schuldenaars van de onderhoudsplichtige,
bijvoorbeeld de werkgever.
Bij het niet-betalen van onderhoudsuitkeringen voor de kinderen, kan men ten
slotte wel eens aan het OCMW vragen voorschotten uit te betalen. Sommen die het
OCMW dan zal trachten terug te vorderen van de onderhoudsplichtige. Opdat het
OCMW dit zou doen, moet wel aan een aantal voorwaarden voldaan zijn
(bijvoorbeeld op het vlak van de inkomsten van diegene bij wie de kinderen
verblijven)."
"Over verwijten, dronkenschap en
andere beledigingen
Artikel verschenen
in De Standaard van auteur Jan
Roodhooft dd. 12/06/2001
Als u uit de echt wil scheiden, dan kan dat door onderlinge toestemming,
op grond van twee jaar feitelijke scheiding en ook op grond van een fout van uw
echtgenoot. De fouten die daarbij, volgens de wet, in aanmerking kunnen worden
genomen zijn overspel (hierover hebben we het vroeger al ruimschoots gehad),
gewelddaden of mishandelingen (deze bewoordingen spreken voor zich) alsook grove
beledigingen. Maar wat valt er nu precies onder die noemer van de ,,grove
beledigingen''?
Algemeen gesteld is een grove belediging elke gedraging van een echtgenoot
waardoor die op een ernstige wijze tekortschiet in zijn huwelijksverplichtingen
of waardoor hij de huwelijksrelatie in het gedrang brengt. De gevallen die
hieronder vallen zijn zeer verscheiden. En sommige rechters gaan er wel zeer ver
in. Zo werd ooit zelfs geoordeeld dat het beledigen door een echtgenote van de
minnares van haar man, een grove belediging uitmaakt. En dat het feit dat een
vrouw bij de belastingen ging vertellen over het zwartwerk van haar man,
eveneens een grove belediging voor deze laatste vormt.
Andere gevallen zijn iets meer voor de hand liggend. Hierbij kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan het geval dat een echtgenoot plots weigert een kerkelijk
huwelijk aan te gaan als het burgerlijk huwelijk al werd gesloten, het uiten
door de ene echtgenoot van zware beledigingen en verwijten aan het adres van de
andere echtgenoot (als dit gebeurt in het openbaar of in de aanwezigheid van de
kinderen, is dat overigens nog een verzwarende omstandigheid) en herhaalde
dronkenschap of het gebruik van verdovende middelen door een echtgenoot. Andere
omstandigheden die in de rechtspraak als een fout (die een grond vormt tot
echtscheiding) werden aangezien, zijn het zonder gegronde reden weigeren van
geslachtsgemeenschap met de echtgenoot, homoseksualiteit, overdreven jaloersheid
of overdreven controle van de ene echtgenoot door de andere, ruzies die gepaard
gaan met het breken van voorwerpen of van huisraad en dergelijke meer.
Het volstaat echter niet dat zo'n feit zich in uw huwelijk heeft voorgedaan
opdat het ook absoluut zeker zou zijn dat u (met succes) een echtscheiding kan
vragen. Er is immers ook vereist dat het feit een zwaarwichtig en bovendien een
beledigend karakter heeft en dat er geen verzoening plaatsvond. Gaat het
bijvoorbeeld om een eenmalig feit (de ene echtgenoot verwijt de andere één
keer iets in het openbaar) of om een kleinigheid, dan zal dat vaak niet als
voldoende zwaarwichtig worden aangezien om er een echtscheiding op grond van
fout op te baseren. Eventueel kan het wel gebeuren dat verschillende lichtere
feiten samen als voldoende zwaar worden aangezien.
Een groot probleem inzake de grove beledigingen is dat men de ingeroepen feiten
moet kunnen bewijzen. En daar durft het schoentje wel eens knellen. Want hoe
gaat men bijvoorbeeld de weigering om geslachtsgemeenschap te hebben, aantonen?
Of hoe gaat men bewijzen dat de andere echtgenoot constant verwijten
formuleerde? Nochtans zijn deze bewijzen van zeer groot belang. Zonder staat men
nergens en zal de rechtbank wellicht niet ingaan op de vordering tot
echtscheiding.
In de praktijk wordt geregeld gebruik gemaakt van getuigen om deze bewijzen te
leveren. In echtscheidingsprocedures gebeurt het zeer vaak dat de rechtbank aan
één van de echtgenoten toelaat het bewijs van bepaalde feiten te leveren via
getuigen. Andere bewijsmiddelen waaraan kan worden gedacht, zijn briefwisseling,
foto's, klachten die werden neergelegd en dergelijke meer.
In het Belgische echtscheidingsrecht bestaat geen systeem van schuldcompensatie.
De fout van de ene echtgenoot heft dus de fout van de andere niet op. Dat
betekent meteen dat elk van de echtgenoten de fouten die hij de andere kan
verwijten tegen deze kan inroepen. En dat het vaak gebeurt dat de echtgenoten
wederzijdse vorderingen tot echtscheiding stellen, wat overigens van zeer groot
belang is als één van de echtgenoten een onderhoudsgeld vraagt.
"Als de alimentatie niet meer
volstaat
Artikel verschenen
in De Standaard van auteur Jan
Roodhooft dd. 27/03/2001
Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming moeten de echtgenoten
die uit de echt willen scheiden, onder meer afspraken maken over de bijdrage die
zij elk zullen leveren in het levensonderhoud van hun kinderen. Veelal wordt dan
afgesproken dat één van hen aan de andere een maandelijks bedrag aan
alimentatie betaalt voor de kinderen (bij voorbeeld een bedrag van 5.000 frank
per maand).
Het gebeurt zeer vaak dat één van de (dan intussen ex-)echtgenoten een paar
jaar later die afspraak opnieuw ter discussie wil stellen. En dit bijvoorbeeld
omdat het afgesproken bedrag zogenaamd te laag zou zijn geworden, nu de kinderen
ouder zijn geworden en naar een andere school gaan. Of omdat diegene die de
uitkering betaalt, intussen een andere (beter betaalde) job heeft. Maar kan men
eigenlijk wel terugkomen op zo'n afspraak?
Indien beide ex-echtgenoten het eens zijn om het destijds afgesproken bedrag aan
alimentatie aan te passen -- naar boven dan wel naar beneden -- is er geen
probleem. De ex-echtgenoten zijn vrij dat in onderling akkoord te doen. Ze
hoeven daarvoor, als er een akkoord is, volgens de meeste rechters niet opnieuw
langs de rechtbank te passeren. Het is natuurlijk wel aangewezen dit nieuwe
akkoord ook op papier te zetten, kwestie van de afspraak te kunnen bewijzen.
Is er geen akkoord, dan zal de ex-echtgenoot die de aanpassing wil verkrijgen,
daarvoor langs de rechtbank moeten passeren, en daar een wijziging van de
uitkering moeten vragen. Om die te kunnen krijgen, zal hij echter moeten kunnen
aantonen dat er nieuwe omstandigheden voorliggen die een ingrijpende invloed
hebben en onafhankelijk zijn van de wil van de partijen (bij voorbeeld het kind
of één van de echtgenoten werd ziek, de onderhoudsplichtige verloor zijn job,
...). Want er was nu eenmaal een overeenkomst over de hoogte van de
onderhoudsuitkering, die men niet zomaar opnieuw ter discussie kan stellen.
Men kan dus niet voor het minste van de rechtbank vragen dat die de
onderhoudsuitkering aanpast. De omstandigheden zullen overigens alleszins ook
onafhankelijk moeten zijn van de wil van de partijen. Het volstaat dus
bijvoorbeeld niet dat de onderhoudsplichtige ontslag neemt en bij dezelfde
werkgever in het zwart gaat werken om een vermindering van de
onderhoudsuitkering te kunnen vragen. Of dat die in het buitenland gaat werken
en daar een minder goed betalende job aanneemt. Discussie bestaat of een loutere
verhoging van de inkomsten van de uitkeringsplichtige ouder (die verdient
intussen bij voorbeeld het dubbele van vroeger) in aanmerking mag worden genomen
om een wijziging van de onderhoudsuitkering te vragen.
In de overeenkomst die naar aanleiding van de echtscheiding door onderlinge
toestemming wordt gesloten, kunnen de echtgenoten zelf afspreken in welke
gevallen de alimentatie voor de kinderen kan worden aangepast. Het is alleszins
aangewezen dat zo tewerk wordt gegaan. Op die manier kunnen immers latere
discussies worden vermeden, en weten de echtgenoten op voorhand in welke
gevallen zij een wijziging van de uitkering zullen kunnen vragen.
Door in de echtscheidingsovereenkomst al goede afspraken te maken, kunnen latere
procedures tot wijziging van de uitkering worden vermeden. Zo kan men de
onderhoudsuitkering koppelen aan de schommelingen van de index. Het verdient
daarbij aanbeveling het indexcijfer waaraan men koppelt (gezondheidsindex of
index der consumptieprijzen) duidelijk te omschrijven en de formule van
aanpassing eveneens in de overeenkomst weer te geven.
Een tweede optie bestaat erin een variërend bedrag aan alimentatie op te nemen
in functie van de leeftijd van het kind (bij voorbeeld tot 6 jaar 4.000 frank
per maand, vanaf 6 tot 12 jaar 5.000 frank en boven 12 jaar 6.000 frank per
maand). Een andere vaak opgenomen clausule heeft betrekking op de buitengewone
kosten van levensonderhoud (bij voorbeeld operaties, studiekosten, ...).
Veelal wordt hier bepaald dat elk van de ouders voor de helft bijdraagt in die
kosten. Om ook hier discussies te vermijden, wordt best omschreven wat precies
onder buitengewone kosten wordt verstaan."
"Uit
elkaar en toch nog erven
Artikel verschenen
in De Standaard van auteur Jan
Roodhooft dd. 31/07/2001
Als iemand overlijdt wordt zijn of haar nalatenschap verdeeld onder de
erfgenamen. Eén van die erfgenamen is vaak de echtgenoot of echtgenote van de
overledene. Zolang alles goed gaat tussen beiden is dat ook niet meer dan
normaal. Maar wat als er een (serieus) haar in de boter zat op het moment van
het overlijden van één van hen? Kan ook dan de overlevende echtgenoot
aanspraak maken op een gedeelte van de nalatenschap van de overledene? Geldt dit
erfrecht met andere woorden ook nog als er echtelijke moeilijkheden zijn en de
echtgenoten bijvoorbeeld al een tijd niet meer samenwonen?
Echtgenoten hebben in beginsel erfrechtelijke aanspraken in de nalatenschap van
hun huwelijkspartner. Om deze erfrechten te kunnen laten gelden, is evenwel
vereist dat de echtgenoten nog niet uit de echt gescheiden zijn. Concreet
betekent dit dat de ene echtgenoot (tenzij er een andersluidend testament is)
niet meer van de andere kan erven als er op datum van het overlijden van die
echtgenoot een echtscheidingsbeslissing bestaat die niet meer vatbaar is voor
enig rechtsmiddel. Is er al een echtscheidingsvonnis waartegen evenwel nog hoger
beroep mogelijk is, dan kan de andere echtgenoot wel degelijk nog erven. Dat is
alvast het principe.
Dit principe leidt echter in een aantal gevallen tot minder gewenste gevolgen.
Want het gebeurt wel eens dat echtgenoten gedurende verscheidene jaren apart
wonen zonder al uit de echt gescheiden te zijn. Een strikte toepassing van de
voorgaande regels zou dan betekenen dat -- hoewel men al geruime tijd apart
woont en helemaal geen contact meer heeft -- de ene echtgenoot toch van de
andere blijft erven. Dit (voor een stuk) ten nadele van de kinderen of de andere
erfgenamen (zoals bijvoorbeeld ouders of broers en zusters). Daarom bestaan twee
belangrijke uitzonderingen op het hierboven aangegeven principe.
Vooreerst is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden een zogenaamd ontervend
testament te maken. U kan uw huwelijkspartner volledig bij testament onterven
zodra u zes maanden feitelijk gescheiden van hem of haar leeft. Voorwaarde is
dan wel dat u voor het overlijden een afzonderlijke verblijfplaats had gevorderd
voor de rechtbank. En dit zal dan veelal gebeuren in het kader van de dringende
en voorlopige maatregelen die aan de vrederechter kunnen worden gevraagd.
Bovendien mag u na deze vordering van afzonderlijk verblijf niet opnieuw zijn
gaan samenwonen met uw partner.
Overweegt u om zulk testament op te stellen, zorg er dan alleszins voor dat het
testament niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Vandaar dat het aangewezen
is daarvoor langs te gaan bij de notaris die uw wilsbeschikking kan noteren in
een authentiek testament.
Reservatair
Voldoet u niet aan de vermelde voorwaarden, dan kan u uw echtgenoot niet
volledig onterven door middel van een testament. Het enige wat u in die situatie
kan doen is de erfrechten van uw echtgenoot bij testament verminderen tot zijn
reservataire aanspraken. Uw echtgenoot heeft echter steeds recht op het
vruchtgebruik van de helft van de nalatenschap, waaronder ook altijd het
vruchtgebruik op de gezinswoning valt. Dit kan u hem dus niet ontnemen, hoe u uw
testament ook formuleert.
Daarnaast hebt u ook de mogelijkheid om uw echtgenoot voor de echtscheiding al
te onterven als u kiest voor een echtscheiding door onderlinge toestemming.
Echtgenoten die hiervoor kiezen moeten immers in de echtscheidingsovereenkomst
een regeling treffen voor het geval één van hen overlijdt voor het vonnis of
arrest dat de echtscheiding definitief maakt, wordt uitgesproken. In de
overgrote meerderheid van de gevallen gebruiken echtgenoten die uit de echt
willen scheiden door onderlinge toestemming wel degelijk deze mogelijkheid om
elkaar te onterven."
"Samen uit, samen thuis
Artikel verschenen
in De Standaard van auteur Jan
Roodhooft dd. 13/03/2001
Als een echtpaar echtelijke moeilijkheden heeft, zullen de echtgenoten vaak
apart willen gaan wonen. En dit al dan niet tijdelijk -- ze lassen een periode
van bezinning in -- dan wel definitief -- waarbij de feitelijke scheiding veelal
zal uitmonden in een echtscheiding. Vaak blijft één van hen dan in de vroegere
echtelijke woonst wonen, terwijl de andere een huis, appartement of studio huurt
of bij familie zijn intrek neemt of iets dergelijks.
Bij dit alles vergeet men wel eens dat het zomaar verlaten van de echtelijke
woonst niet zonder gevaren is. Want de echtgenoot die in de echtelijke woonst
blijft, zou de andere later -- bijvoorbeeld in het kader van een eventuele
echtscheidingsprocedure -- wel eens kunnen verwijten dat die ,,thuis'' is
weggegaan.
Op echtgenoten rust immers de verplichting samen te wonen. Als één van de
echtgenoten aan die verplichting niet voldoet, riskeert hij dat hem dat door
zijn partner wordt verweten, en dat hem later de schuld voor de echtscheiding in
de schoenen wordt geschoven. Als de rechtbank dat argument zou volgen (wat zeker
niet altijd het geval is) heeft dat zeer belangrijke gevolgen. Want wie
,,schuldig'' wordt verklaard aan de echtscheiding, kan geen aanspraak maken op
een persoonlijke onderhoudsuitkering na de echtscheiding.
Het is dus aangewezen om bij familiale problemen de echtelijke woonst niet
zomaar te verlaten en op dat vlak geen risico's te nemen. Tenzij het samenwonen
natuurlijk echt niet meer houdbaar zou zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als
één van de echtgenoten de andere bedreigt, als die geweld tegenover de ander
pleegt of dergelijke meer. Het probleem is natuurlijk dat de echtgenoot die om
die reden de woonst verlaat, ingeval van een latere discussie, dat ook zal
moeten bewijzen.
Een veiliger oplossing bestaat erin niet zomaar de echtelijke woonst te
verlaten, maar voorafgaandelijk een procedure te beginnen voor de vrederechter
en hem te vragen dat hij dringende en voorlopige maatregelen oplegt. De
vrederechter kan onder andere beide echtgenoten machtigen afzonderlijk te
verblijven. In dat geval kan de andere echtgenoot dat in een latere
echtscheidingsprocedure natuurlijk niet meer komen verwijten. Men kan de
vrederechter in dat geval ook nog vragen dat hij de andere echtgenoot verbiedt
de woning te betreden.
Vaak zal er in de procedure voor de vrederechter discussie rijzen over welke
echtgenoot in de echtelijke woonst mag verblijven en welke die moet verlaten. De
vrederechter zal -- als de partijen niet zelf tot een akkoord komen -- de knoop
doorhakken. Daarbij zal hij bijvoorbeeld nagaan of één van de echtgenoten de
woning nodig heeft voor zijn beroep, of er kinderen zijn die samen met één van
de ouders verder in de echtelijke woonst willen blijven wonen, of één van de
echtgenoten gezondheidsproblemen heeft en moeilijker dan de andere kan verhuizen
enzovoorts.
De echtgenoot die moet verhuizen, zal van diegene die blijft wonen later
mogelijk wel een vergoeding voor de bewoning van de echtelijke woonst (als die
de eigendom was van de echtgenoten) kunnen vragen. Dit in het kader van de
vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel.
Als er een akkoord is tussen de echtgenoten om apart te gaan wonen en men niet
langs de vrederechter wil passeren, bestaat een ander -- iets minder veilig --
denkspoor erin, voorafgaand aan het verlaten van de woonst dat akkoord op papier
te zetten. Daaruit moet dan blijken dat het idee apart te gaan wonen iets is wat
uitgaat van beide echtgenoten samen. Zo'n document kan dan later ook worden
gebruikt als de echtgenoot die in de woonst bleef, de schuld voor de
echtscheiding tracht te leggen bij degene die de woonst verliet.
Nog dit: in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming zullen
de echtgenoten moeten opgeven waar zij tijdens de echtscheidingsprocedure zullen
gaan wonen. Meestal zal dat op een verschillend adres zijn. Nochtans is dat
strikt gezien niet noodzakelijk. De echtgenoten zouden tijdens de zogenaamde
proeftijd perfect in dezelfde woonst kunnen blijven wonen."
"Een detective erop afsturen?
Vastellingen van een detective volstaan niet voor de rechter
Artikel verschenen
in De Standaard van auteur Jan
Roodhooft dd. 30/01/2001
In het kader van een echtscheidingsprocedure gebeurt het wel eens dat één van
de echtgenoten eraan denkt om een detective in te schakelen. Dit om zijn
echtgenoot te volgen en (hopelijk) allerlei interessante vaststellingen te laten
doen. Maar heeft een dergelijke vaststelling wel zin? En kan men ze in het kader
van de echtscheidingsprocedure ook gebruiken?
Een detective kan bij een echtscheiding wel eens nuttige zaken achterhalen. Zo
kan hij of zij er bijvoorbeeld achter komen dat de andere echtgenoot een
overspelige relatie heeft (wat dan meteen een grond voor een echtscheiding op
grond van fout kan zijn). Of hij zou bijvoorbeeld kunnen achterhalen dat de
andere echtgenoot in het zwart werkt (wat een argument kan zijn om een lagere
onderhoudsuitkering te moeten betalen), dat die zich in een bepaald milieu
begeeft en dergelijke meer. Allemaal zaken die van zeer groot belang kunnen zijn
in de afwikkeling van de procedure.
De detective zal zijn vaststellingen in een verslag gieten. Waarbij mogelijk
zelfs foto's worden gevoegd (bijvoorbeeld van de echtgenoot in het gezelschap
van diens nieuwe relatie, van de wagen van de echtgenoot geparkeerd voor de zaak
waar die in het zwart werkt,...). En dat bundel maakt hij aan de
echtgenoot-opdrachtgever of aan diens advocaat over. De advocaat van de
echtgenoot die een beroep op de detective deed, kan dit verslag opvolgend
toevoegen aan het dossier dat hij aan de rechtbank voorlegt.
Het probleem is echter dat de vaststellingen die een detective doet voor een
rechter veelal niet zullen volstaan om het bewijs te leveren van bepaalde
feiten, ongeacht de naam en de reputatie van de detective in kwestie. De rechter
zal namelijk normaal van oordeel zijn dat de onpartijdigheid van de detective
niet kan worden gegarandeerd (hij wordt namelijk betaald door de partij die op
zijn diensten een beroep doet). Zodat het risico bestaat dat de detective ook op
papier zet wat diegene die hem betaalt van hem vraagt.
Slechts zeer zelden zal een verslag van een detective alleen dan ook voldoende
zijn om de rechtbank te overtuigen van een bepaald feit. Maar toch is het niet
uitgesloten dat dit gebeurt. Als er bijvoorbeeld een discussie is over bij wie
de kinderen mogen verblijven en het detectiveverslag geeft aan dat één van de
ouders-echtgenoten constant van huis is, kan dat soms wel eens een belangrijk
element zijn bij de beslissing van de rechter.
Betekent dit dan dat het helemaal geen zin heeft om in het kader van een
echtscheidingsprocedure een detective achter de andere echtgenoot aan te sturen?
Dat zou een al te voorbarige conclusie zijn. De vaststellingen van de detective
kunnen een echtgenoot immers wel eens op een nuttig spoor brengen, en gegevens
aanbrengen waar die helemaal geen weet van had. Het kan dus nuttig zijn om een
detective op pad te sturen om te proberen van alles te ,,ontdekken''. Om het
bewijs te verzamelen van al bekende zaken, heeft het inschakelen van een
detective heel wat minder nut...
Als de detective allerlei zaken ,,ontdekt'' en de echtgenoot-opdrachtgever
daarvan op de hoogte brengt, kan die naar andere middelen gaan zoeken om het
bewijs te leveren van die feiten. Bewijzen die mogelijk wel door de rechtbank
zullen worden aanvaard.
Stelt de detective bijvoorbeeld vast dat de echtgenoot naar wie hij het
onderzoek deed, een nieuwe relatie heeft en heeft hij een goed zicht op wanneer
het ,,nieuwe koppel'' samen verblijft, dan zou de echtgenoot-opdrachtgever aan
de hand van deze informatie kunnen trachten zijn echtgenoot op overspel te laten
betrappen. Dit door een gerechtsdeurwaarder, na daartoe een machtiging van de
rechtbank te hebben gekregen. Of hij zou op zoek kunnen gaan naar getuigen van
deze relatie (zo zou hij bijvoorbeeld de nieuwe vriend als getuige voor de
rechtbank kunnen laten oproepen). Bij vaststellingen van zwartwerk zou
bijvoorbeeld kunnen worden overwogen om een gerechtsdeurwaarder langs te sturen
op de plaats waar het zwartwerk wordt verricht. Die gaat vaststellen dat de
echtgenoot in kwestie daar wel degelijk aan het werk is. Ook hier zouden
getuigen kunnen worden gezocht om het bewijs van deze feiten bij te
brengen."
"'t Is maar voor een paar jaar...
Artikel verschenen
in De Standaard van auteur Jan
Roodhooft dd. 09/01/2001
Eén van de belangrijkste strijdpunten in een echtscheidingsprocedure betreft de
onderhoudsuitkering die één van de echtgenoten na de echtscheiding aan de
andere moet betalen. Dat is ook begrijpelijk: het vooruitzicht aan zijn
ex-partner voor talloze jaren een onderhoudsuitkering te moeten betalen, is niet
echt aanlokkelijk. Rijst dan de vraag of men deze uitkering niet kan (laten)
beperken in de tijd (zodat men bijvoorbeeld slechts over een periode van vijf
jaar na de echtscheiding aan de andere partner een uitkering dient te betalen)?
Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming rijst er op dit vlak geen
enkel probleem. De echtgenoten kunnen in de akte die in het kader van die
echtscheiding wordt opgesteld, perfect overeenkomen dat de onderhoudsuitkering
die de ene aan de andere betaalt wordt beperkt in de tijd. Zij hebben op dit
vlak een zeer grote vrijheid. Zo kunnen zij bijvoorbeeld overeenkomen dat de ene
echtgenoot aan de andere een onderhoudsuitkering betaalt van 20.000 frank per
maand en dit voor een periode van drie jaar vanaf de ondertekening van de
overeenkomst.
Bij een echtscheiding op grond van twee jaar feitelijke scheiding of op grond
van fout zal de rechtbank beslissen over de uitkering die de ene echtgenoot na
de echtscheiding desgevallend aan de andere dient te betalen. In de wet is geen
regeling ingeschreven (in tegenstelling tot in een aantal andere landen),
waardoor de onderhoudsuitkering die de ene echtgenoot aan zijn ex moet betalen,
wordt beperkt in de tijd. Het is dus geenszins een automatisme dat die uitkering
na een bepaald aantal jaren vervalt.
Niettemin kan men de rechtbank waar de procedure tot het bekomen van een
onderhoudsuitkering wordt gevoerd, toch vragen zo'n beperking in te voeren. Er
bestaat rechtspraak (en dit zelfs van het Belgische Hof van Cassatie) die een
beperking van de onderhoudsuitkering in de tijd toelaat. Voorwaarde om zo'n
beperking te krijgen is natuurlijk wel dat men die beperking aan de rechtbank
vraagt (als de partijen -- en dan normaal diegene die moet betalen -- het niet
vragen, zal de rechtbank het ook niet toekennen). En dat wordt in de praktijk al
bij al vrij weinig gedaan. De discussie gaat integendeel meestal nagenoeg alleen
over het bedrag aan alimentatie dat dient te worden betaald.
Wanneer is het dan zinvol om een beperking in de tijd te vragen? In de praktijk
blijkt dat voornamelijk zo te zijn in twee situaties. Vooreerst kan men een
dergelijke beperking proberen te bekomen als het huwelijk van zeer korte duur
was (bijvoorbeeld een echtscheiding na een huwelijk van amper twee jaar). In dat
geval kan men immers gaan argumenteren dat het niet ,,billijk'' zou zijn dat de
ene echtgenoot op basis van zo'n zeer kort huwelijk levenslang een
onderhoudsuitkering zou kunnen gaan opvorderen van zijn of haar ex.
Een tweede situatie waarin de beperking zou kunnen worden gevraagd, is wanneer
de echtgenoot die de uitkering vraagt, in de mogelijkheid is om in de toekomst
meer inkomsten te krijgen. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de hypothese
dat de vrouw altijd heeft gewerkt, een diploma hoger onderwijs heeft, maar nu
thuisblijft om voor de twee jonge kinderen te zorgen. Er zou in dat geval kunnen
worden overwogen een tijdelijke onderhoudsuitkering voor de vrouw voor te
stellen en dit bijvoorbeeld tot op het moment dat de kinderen 12 jaar geworden
zijn. Of men zou -- als de inkomsten van de man, ook als de vrouw opnieuw gaat
werken, nog heel wat hoger zullen zijn dan die van de vrouw -- ook kunnen vragen
dat de rechtbank de uitkering na een aantal jaren gaat beperken qua bedrag
(bijvoorbeeld de eerste drie jaar 50.000 frank per maand en nadien 20.000 frank
per maand).
Rijst dan nog de vraag of de onderhoudsgerechtigde na het verstrijken van de
door de rechtbank aan de uitkering gekoppelde tijdsduur opnieuw naar de rechter
kan stappen om een uitkering te vorderen. Rechtspraak op dit vlak is ons niet
bekend. Niettemin is dit ons inziens inderdaad mogelijk als de beperking in de
tijd oorspronkelijk gesteund was op de toekomstige mogelijkheden om inkomsten te
gaan verwerven (die dan uiteindelijk om een reden onafhankelijk van de wil van
de gerechtigde niet doorgingen). Was de beperking evenwel gemotiveerd op basis
van de korte duur van het huwelijk, dan is een nieuwe toekenning van een
uitkering naar onze mening niet mogelijk."
"Het gevecht om de meubelen
Artikel verschenen
in De Standaard van auteur Jan
Roodhooft dd. 19/12/2000
Bij gezinnen met huwelijksproblemen gebeurt het wel eens dat één van de
echtgenoten 's avonds thuiskomt en niet alleen zijn partner niet meer aantreft
maar bovendien moet vaststellen dat de ganse woning werd leeggehaald. De buren
komen dan vaak vertellen dat terwijl hij/zij op het werk was de meubels werden
weggehaald door de echtgenoot en zijn/haar familie. Valt tegen zulke praktijken
eigenlijk wel iets te beginnen en zo ja, wat?
De echtgenoot die met een (half)lege woonst wordt achtergelaten bevindt zich in
een vrij moeilijke positie. Hij kan namelijk niet zomaar eisen dat alle meubels,
schilderijen en dergelijke worden teruggebracht. En dit zelfs niet als die
behoorden tot zijn eigen vermogen (bijvoorbeeld een schilderij dat hij had geërfd
van een suikernonkel ). Zolang de echtgenoten niet gescheiden zijn is het
immers niet van belang van wie de goederen precies zijn. En kunnen beide
echtgenoten er rechten van gebruik op laten gelden.
Wie zonder meubels achterbleef en die wil terugkrijgen, zal (al dan niet via een
advocaat) een procedure moeten beginnen voor de vrederechter. Hij kan vragen dat
hem het persoonlijk gebruik van bepaalde goederen wordt toegekend. Om met deze
vraag succes te kunnen hebben zal de echtgenoot echter moeten kunnen aantonen de
goederen echt nodig te hebben, en dit bijvoorbeeld in het kader van zijn
beroepsactiviteit.
Beschikte het gezin bijvoorbeeld over twee wagens en nam de vrouw deze allebei
mee, dan kan de man wellicht met succes vragen dat hem één van de auto's
voorlopig wordt toebedeeld (kwestie van naar het werk te kunnen geraken). U
merkt dus meteen dat de echtgenoot die werd verlaten op deze manier slechts een
beperkt aantal goederen zal kunnen terugvragen. En dat diegene die het recht in
eigen handen nam er meestal vrij goed van af komt. Deze laatste dient er wel
rekening mee te houden dat de andere het meenemen van de meubels als een
echtscheidingsgrond zou kunnen proberen aan te halen en dat, hoewel diefstal
tussen echtgenoten niet strafbaar is, de derden (met uitzondering van de bloed-
of aanverwanten in de rechte lijn) die bij 'de verhuis' hebben geholpen, wel
strafbaar zijn.
Dit alles betekent nog niet dat de echtgenoot die het huis verliet de goederen
die hij daarbij meenam ook definitief krijgt. Na de echtscheiding zal namelijk
overgegaan moeten worden tot de vereffening-verdeling van het
huwelijksvermogensstelsel. En daarbij kan elke echtgenoot de afgifte vragen van
de goederen die in zijn eigen vermogen zitten. De goederen die deel uitmaken van
het gemeenschappelijke vermogen zullen tussen de echtgenoten worden verdeeld.
Om de goederen in de vereffening te kunnen betrekken moet men natuurlijk kunnen
bewijzen dat ze wel degelijk bestonden. En daar durft het schoentje wel eens
knellen. Want als één van de echtgenoten het goed meenam en later het bestaan
daarvan ontkent of dat goed inmiddels verkocht, kan dat bewijs wel eens zeer
moeilijk zijn. Vandaar dat het aangewezen is op dat vlak voorzorgen te nemen.
Een eerste voorzorgsmaatregel is er voor te zorgen te beschikken over een
inventaris. En die kan bijvoorbeeld worden opgemaakt tussen de echtgenoten
onderling (op een moment dat het nog goed gaat). Een andere mogelijkheid is om
als er vermoedens zijn dat de andere echtgenoot de echtelijke woning zal
verlaten, aan de vrederechter te vragen een inventaris te laten opstellen. U kan
ook eenzijdig aan een deurwaarder vragen een inventaris op te stellen. Een
andere mogelijkheid bestaat erin aan de vrederechter te vragen de andere
echtgenoot het verbod op te leggen bepaalde goederen te verplaatsen of te
vervreemden.
Een volgende (helaas minder sterke) voorzorgsmaatregel is foto's te nemen van de
inrichting van de woning, serienummers van elektrische apparaten te noteren
alsmede zoveel mogelijk aankoopfacturen bij te houden. Ook deze gegevens kunnen
namelijk als een element van bewijs van het bestaan van bepaalde goederen naar
voren worden gebracht."
"Als ouders ruzie maken over de
kinderen
Artikel verschenen
in De Standaard van auteur Jan
Roodhooft dd. 28/11/2000
Eén van de belangrijkste discussiepunten in heel wat echtscheidingsprocedures
betreft de vraag wie de kinderen ,,krijgt''. In de volksmond wordt daarbij wel
eens gegoocheld met begrippen zoals co-ouderschap, hoede- en bezoekrecht.
Waarbij slechts weinigen weten wat die termen precies inhouden en dat een aantal
ervan achterhaald zijn sinds de wetgeving enkele jaren geleden grondig werd
gewijzigd.
Als twee ouders niet samenwonen (ze zijn bijvoorbeeld in een
echtscheidingsprocedure verwikkeld of al uit de echt gescheiden, of het gaat om
ongehuwde ouders die uit elkaar gingen), dan oefenen zij het gezag over hun
minderjarige kinderen in beginsel gezamenlijk uit. En dit net als in de
hypothese dat ze wel zouden samenwonen. Dit is wat men noemt ,,co-ouderschap''.
Dat zegt echter niets over de vraag bij welke ouder het kind zal verblijven en
is geen synoniem van een afwisselend verblijf bij de ene en de andere ouder.
Als de ouders niet samenleven en het systeem van co-ouderschap van toepassing
is, dan moeten de ouders nog beslissen waar het kind zal verblijven. Hier
beschikt men over talloze mogelijkheden. Zo kunnen de echtgenoten bijvoorbeeld
een echt bilocatie-systeem afspreken (het kind blijft bijvoorbeeld een week bij
de ene en dan een week bij de andere). Men kan ook eerder naar een klassieke
verblijfsregeling gaan (bijvoorbeeld een weekend op twee en de helft van de
vakanties bij de ene ouder en de rest van de tijd bij de andere). Maar ook tal
van andere oplossingen zijn mogelijk (bijvoorbeeld drie dagen bij de ene en
opvolgend vier bij de andere).
Bij een systeem van co-ouderschap is het in de praktijk natuurlijk zo goed als
onmogelijk te eisen dat beide ouders steeds samen optreden voor de minderjarige.
Men kan toch moeilijk verwachten dat beiden altijd samen naar buiten treden als
er iets moet worden geregeld voor het kind. Vandaar dat het tegenover derden die
te goeder trouw zijn volstaat dat één ouder optreedt. De derde mag er dan van
uitgaan dat de ene ouder optreedt met instemming van de andere ouder. Blijkt de
andere ouder het uiteindelijk met die handeling niet eens te zijn, dan kan hij
nog altijd naar de rechtbank stappen.
Een regeling van co-ouderschap is echter niet altijd mogelijk. Omdat het goed
zou kunnen werken moet er tussen de ouders nog voldoende eensgezindheid zijn
over de opvoeding van het kind. En dient er nog voldoende communicatie mogelijk
te zijn. En dat is bij echtelijke moeilijkheden allesbehalve evident. Ziet men
een systeem van co-ouderschap niet zitten, dan kan men aan de rechtbank vragen
om een afwijkend systeem op te leggen inzake de uitoefening van het ouderlijk
gezag. Die beslist dan in het belang van het kind. Of men kan in de akte van
echtscheiding door onderlinge toestemming een afwijkend systeem opnemen.
Zijn er al echtelijke moeilijkheden, maar is er nog geen
echtscheidingsprocedure, dan is meestal de vrederechter bevoegd. Tijdens een
echtscheidingsprocedure kunnen voorlopige maatregelen worden bevolen door de
voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. En die regeling blijft verder
gelden na de echtscheiding. Wil men na de echtscheidingsprocedure naar de
rechtbank stappen, dan dient men veelal bij de jeugdrechtbank te zijn.
Hierbij kan één van de ouders (of kunnen beiden) dan bijvoorbeeld vragen dat
de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag aan hem (of haar) wordt
toevertrouwd. En dat de andere ouder een omgangsrecht krijgt. Ten onrechte
gebruikt men hiervoor trouwens nog wel eens de verouderde termen hoede- en
bezoekrecht.
Maar de rechtbank zou ook een ,,tussensysteem'' kunnen opleggen. Waarbij
bijvoorbeeld wordt bepaald dat één van de ouders de exclusieve uitoefening van
het ouderlijk gezag toevertrouwd krijgt, behalve voor een aantal belangrijke
beslissingen over het kind, waar beide ouders hun akkoord nog moeten mee geven.
De ouder aan wie de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag niet wordt
toevertrouwd, behoudt wel een recht van toezicht, en kan steeds naar de
jeugdrechtbank stappen om de beslissingen van de andere ouder aan te
vechten."
"Als uw
ex een nieuwe vriend heeft...
Artikel verschenen in De
Standaar van auteur Jan Roodhooft dd. 17/10/2000
U bent uit de echt gescheiden en betaalt een onderhoudsuitkering aan uw
ex-echtgenote. Via uw kinderen verneemt u nu dat uw echtgenote een nieuwe vriend
heeft. Moet u in dat geval nog verder voor haar blijven betalen? Of kunt u
zonder meer stoppen met het betalen van alimentatie?
Het is onmogelijk op deze vraag een vast geldend antwoord te geven. Alles hangt
af van de echtscheidingsvorm waarvoor u destijds koos. Scheidde u uit de echt
door onderlinge toestemming, dan liggen de zaken anders dan bij een
echtscheiding op grond van fout of op grond van twee jaar feitelijke scheiding.
Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming hebt u een zogenaamde
familierechtelijke overeenkomst afgesloten. Daarin is bepaald of u aan uw
echtgenote een onderhoudsgeld moet betalen, en zo ja, hoeveel deze uitkering
bedraagt. Bovendien bevat de echtscheidingsovereenkomst een overzicht van de
gevallen waarin de onderhoudsuitkering kan worden aangepast of zelfs worden
afgeschaft. Wil u weten of uw alimentatieverplichting vervalt bij een nieuw
huwelijk of het gaan samenwonen van uw ex, dan is het dus zaak er de
echtscheidingsovereenkomst op dat vlak op na te slaan.
Wordt er in deze overeenkomst bepaald dat de uitkering vervalt als uw echtgenote
opnieuw in het huwelijk treedt, maar is er niets geregeld als ze gaat samenwonen
met een vriend, dan hebt u pech. In dat geval vervalt de uitkering niet. De
bewoordingen van de overeenkomst moeten namelijk strikt worden geïnterpreteerd.
Opdat de uitkering zou vervallen als uw ex een nieuwe vriend heeft, moet dat
expliciet zo verwoord zijn in de overeenkomst. Is dat het geval, dan is het nog
maar de vraag wat er dient te gebeuren als de nieuwe relatie van uw ex opnieuw
afspringt. Kwam u overeen dat de uitkering vervalt bij het gaan samenwonen van
uw ex, dan herleeft dit recht niet als de relatie later weer afspringt.
Bij een echtscheiding op grond van fout liggen de zaken anders. Normaal is er
dan geen overeenkomst waarin het antwoord te lezen staat. De uitkering kan in
dat geval worden gewijzigd als de financiële toestand van uw ex-echtgenote door
de nieuwe samenleving ingrijpend verandert. Vaak is dat het geval, al was het
maar omdat dan bepaalde kosten worden gedeeld (bijvoorbeeld huur van de woning,
gas, elektriciteit, ...). Zorgt de nieuwe partner ook voor de kostwinning, dan
is dat een bijkomend element dat een positieve invloed zal hebben op de financiële
toestand van uw ex-echtgenote.
Een vermindering van de uitkering (en uitzonderlijk zelfs een afschaffing)
behoort dus tot de mogelijkheden. Een automatische afschaffing zal er niet zijn.
Dat is wel zo als uw ex opnieuw in het huwelijk treedt. In dat geval zijn er
namelijk heel wat rechters die aannemen dat de onderhoudsuitkering wel wordt
afgeschaft. Anderen menen dat ook hier de uitkering alleen kan worden verminderd
als de financiële toestand van uw ex door het huwelijk verbetert.
Wil u een wijziging van de uitkering bekomen, dan moet u hiervoor naar de
vrederechter stappen. Tenzij uw ex natuurlijk akkoord zou gaan met het
stopzetten van de alimentatie en zij bereid is dat ook op papier te zetten. Voor
de vrederechter kunt u dan de vermindering of de afschaffing van de alimentatie
met terugwerkende kracht vragen, en dit tot het moment van het huwelijk of de
samenleving. Beweert u dat uw ex ging samenwonen, dan moet u dat ook nog kunnen
bewijzen. En daar durft het schoentje wel eens te wringen. Want als uw ex dat in
alle toonaarden ontkent...
Bij een echtscheiding op grond van twee jaar feitelijke scheiding zijn de zaken
in grote lijnen gelijklopend met die bij een echtscheiding op grond van fout.
Strikt genomen verschillen de wettelijke regels over de mogelijkheid om
alimentatie te wijzigen. Ook hier kan de uitkering alleen worden verminderd of
zelfs afgeschaft als de financiële toestand van uw ex door haar nieuwe relatie
verbetert. Om een wijziging van de onderhoudsuitkering te vragen -- tegen de zin
in van uw ex -- moet u bij de vrederechter langsgaan."
"Bij
oma en opa op bezoek
Artikel verschenen in De
Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 04/04/2000
In de meeste families gaan
kleinkinderen spontaan op bezoek bij hun grootouders, in de weekends, op
feestdagen of zelfs door de week. Sommige grootouders vangen de kinderen op na
schooltijd of tijdens de vakanties. Dan is er voldoende contact tussen de
grootouders en hun kleinkinderen. Bij familieruzies, als één ouder al
overleden is of in gezinnen waar de ouders uit de echt gescheiden zijn, durft
het echter wel eens anders te lopen en riskeren grootouders hun kleinkinderen
niet (voldoende) te zien te krijgen.
Het gebeurt dan ook wel eens dat grootouders een advocaat in de arm nemen en
voor de jeugdrechtbank een procedure starten om een omgangsrecht te krijgen
tegenover hun kleinkinderen. Maar heeft zo'n procedure wel enige kans op slagen
en wat zijn de precieze rechten van de grootouders tegenover hun kleinkinderen?
Grootouders hebben in principe een omgangsrecht tegenover hun kleinkinderen, wat
sinds enkele jaren ook in de wet wordt erkend. Voor zover de kleinkinderen
tenminste nog minderjarig zijn.
Vanaf 18 jaar kan men een kleinkind dus alleszins niet meer verplichten om bij
oma of opa op bezoek te gaan. Is het kleinkind een jaar of twaalf of ouder en
wil het echt niet meer naar zijn grootouders, dan zal het ook moeilijk liggen
voor de grootouders een omgangsrecht te krijgen. En als ze dit al hebben, om het
effectief te gaan uitvoeren.
Het recht van de grootouders is echter niet absoluut. Als dat in het belang is
van het kind, kan men de grootouders de omgang met hun kleinkind ontzeggen. Dit
is bv. het geval als zij hun kleinkind zouden mishandelen, als ze jarenlang geen
enkele belangstelling voor het kleinkind toonden, als er sprake is van incest
enz. Deze gevallen zijn trouwens vrij evident.
Maar ook als de grootouders hun omgangsrecht misbruiken om de verstandhouding
tussen ouders en kind te bemoeilijken (ze zetten het kind bv. op tegen de ouders
met wie ze ruzie hebben), kan hun het omgangsrecht worden ontzegd.
Indien de rechtbank een omgangsrecht toekent, is het nog maar de vraag op
hoeveel dagen per maand de grootouders aanspraak kunnen maken. Het principe dat
hier geldt, is dat grootouders alleszins op heel wat minder dagen aanspraak
kunnen maken dan bv. een vader of moeder die uit de echt gescheiden is. Zo wordt
geregeld een bezoek van 1 á 2 dagen per maand toegestaan. In uitzonderlijke
gevallen kan een meer uitgebreid of soms zelfs een beperkter omgangsrecht worden
toegestaan.
Een voorbeeld van een geval waarin het omgangsrecht ruimer kan zijn, is dit
waarin één van de ouders al is overleden en de ouders van de overledene, die
steeds een goede band hadden met het kleinkind, voor de rechtbank een
omgangsrecht vragen. Er moet verder rekening mee worden gehouden dat het recht
van de grootouders subsidiair is tegenover dat van de ouders. Wat meteen
betekent dat als de ouders van het kleinkind zelf gescheiden leven, de
grootouders met minder vrede zullen moeten nemen. Zij zullen dan hun
omgangsrecht moeten uitoefenen op de momenten dat het kleinkind bij hun zoon of
dochter verblijft.
En wat als de ouders een gerechtelijke beslissing waarin een omgangsrecht wordt
toegekend aan de grootouders, naast zich neerleggen? In de eerste plaats zouden
de grootouders dan een gerechtsdeurwaarder kunnen inschakelen, die zich desnoods
laat bijstaan door de openbare macht om het kind manu militari te gaan halen. In
de praktijk gebeurt dit echter niet zo vaak. Zeker als het gaat om een kind van
een jaar of twaalf of ouder, is de gedwongen uitvoering zo goed als onmogelijk.
Maar strikt gezien zou het wel kunnen.
Een andere optie bestaat erin dat de grootouders aan de rechtbank vragen een
dwangsom te koppelen aan de veroordeling. Zodat de ouders die de uitspraak niet
naleven, hiervoor een financiële sanctie krijgen en een bepaalde som per
inbreuk dienen te betalen.
Strikt gezien zouden de grootouders die hun rechten niet kunnen uitoefenen, ook
een morele schadevergoeding van de rechtbank kunnen vorderen. Het bedrag van de
vergoedingen die hier worden toegekend, is evenwel zo laag dat het nog maar de
vraag is of het sop uiteindelijk de kool waard is. Ten slotte riskeert de ouder
die het kind in weerwil van een rechterlijke beslissing weigert mee te geven, in
principe strafsancties."
"Met twee beslissen?
Artikel verschenen
in De Standaard van auteur Jan
Roodhooft dd. 19/09/2000
U woont samen met uw echtgenote in een woning die u erfde van uw ouders of die u
voor uw huwelijk al aankocht. Nu een kandidaat-koper een financieel
aantrekkelijk bod deed, wil u de woonst in kwestie graag verkopen. Maar uw
echtgenote is het daarmee niet eens. Zij verhuist liever niet. Geen probleem,
zal u nu denken. De woning maakt deel uit van mijn eigen vermogen, dus ik beslis
uiteindelijk; met of zonder goedvinden van mijn echtgenote. Helaas is dat niet
zo. Zelfs al maakt de woning deel uit van uw eigen vermogen, u zal nog de
instemming van uw echtgenote met de verkoop moeten bekomen.
Als een echtpaar een woning of appartement wil verkopen, moeten meestal beide
echtelieden akkoord gaan. Dat is alleszins zo als ze gehuwd zijn onder het
wettelijk stelsel (scheiding van goederen en gemeenschap van aanwinsten) of een
stelsel van gemeenschap van goederen en het onroerend goed in kwestie in het
gemeenschappelijk vermogen zit.
Maar ook als de woonst in het eigen vermogen valt van één van de echtgenoten,
is soms de instemming van diens partner nodig om het pand te kunnen verkopen.
Meer bepaald is dit het geval als de woning de zogenaamde ,,gezinswoning'' is.
In de praktijk kan het dan bijvoorbeeld gaan om een woning die één van de
echtgenoten al aankocht voor het huwelijk, die deze erfde of om gevallen waarin
de echtgenoten gehuwd zijn met een stelsel van scheiding van goederen en de
woning op naam van een van beiden staat.
Niet elke woning kan als een gezinswoning worden beschouwd. Daarvoor moet het
vooreerst gaan om een effectief bewoonde woning. Een leegstaand pand waar de
echtgenoten pro forma zijn ingeschreven in het bevolkingsregister of een woning
in opbouw volstaan dus niet. Bovendien moet de woning bewoond worden door
minstens één van de echtgenoten en wordt slechts één woning per gezin
beschermd, namelijk de voornaamste. Hebt u bijvoorbeeld zowel een huis in
Brussel (waar u in de week woont), als een appartement aan zee (waar u in de
weekends verblijft), dan kan alleen de woning in Brussel als de gezinswoning
worden aangezien. Verhuurt u een huis en bewoont u het niet zelf, dan kan dat
evenmin als de gezinswoning worden beschouwd.
Wil u een woning verkopen die als gezinswoning dienst doet, dan moet uw partner
zijn/haar instemming geven. Zelfs al maakt de woonst deel uit van uw eigen
vermogen. Meer nog, u mag zonder die instemming de woning zelfs niet eens
hypothekeren (bijvoorbeeld als waarborg voor een lening bij de bank) of gewoon
maar verhuren. Weigert de partner toestemming te geven, dan hebt u wel een
verhaalmogelijkheid. Meer bepaald kan u dan naar de rechtbank stappen. En die
zal nagaan of uw echtgenoot/echtgenote gewichtige redenen had om die instemming
te weigeren. De rechtbank zal daarbij afwegen of de huisvesting van uw gezin
door de voorgenomen handeling niet in het gedrang wordt gebracht. En in principe
zal dit belang primeren boven uw eigen financiële belangen.
Overigens wordt de gezinswoning bij dit alles in haar geheel beschermd. Dit
betekent dat het niet alleen gaat om de woonst op zich, maar ook om de garage,
de tuin, eventuele bijgebouwen en dergelijke meer. Een man kan dus bijvoorbeeld
niet zomaar (zonder instemming van zijn echtgenote) een gedeelte van de tuin
verkopen aan een buur die zijn eigen tuin wil uitbreiden. Sterker nog, ook de
huisraad die zich in de gezinswoning bevindt geniet eenzelfde bescherming.
Behoort die tot het eigen vermogen van de man (bijvoorbeeld een salon die hij
enkele jaren voor het huwelijk kreeg van zijn ouders) dan kan hij die evenmin
verkopen zonder de instemming van zijn echtgenote.
Als deze regels niet worden nageleefd, kan de handeling worden nietig verklaard
op verzoek van de echtgenoot/echtgenote. Die kan zelfs bijkomend een
schadevergoeding vorderen. Nog dit: een eventuele vordering tot nietigverklaring
dient wel te worden ingesteld binnen het jaar nadat de ontevreden partner kennis
kreeg van de handeling in kwestie."
notariskantoor Van
Damme
Residentie "Groenhove"
Gistelse Steenweg 138 bus F/1
8200 Brugge (Sint-Andries) België
Tel. +32 50 38.11.11 en +32 50 40.40.40
Fax +32 50 38.57.77 en + 32 50 40.40.20
E-mail: vandamme@notare.be
URL: http://www.notare.be
Laatst bijgewerkt op 20 augustus 2001